Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2020 in de zaak tussen
[verzoekster], gevestigd in [woonplaats], verzoekster(gemachtigde: mr. J.C. Ozinga),
(gemachtigde: mr. E.H.P. Brans).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster, een familiebedrijf dat biogas produceert met visafval en andere vergistbare afvalstoffen, accepteert sinds 2014 een afvalstroom MONG van Biopetrol. Het college stelde dat deze afvalstroom niet onder de vergunde afvalstoffen valt en legde een last onder dwangsom op. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De kern van het geschil betreft de toepasselijke Euralcode voor de afvalstroom MONG. Verzoekster stelt dat Euralcode 07.01.99 van toepassing is, terwijl het college Euralcode 07.01.08* hanteert. De voorzieningenrechter acht deze vraag niet geschikt voor een rechtmatigheidsoordeel in deze voorlopige voorziening en baseert zich op een belangenafweging.
Verzoekster benadrukt het belang van de afvalstroom voor haar bedrijfsvoering en wijst op lage concentraties Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZSS). Het college wijst op de aanwezigheid van ZSS en de mogelijke risico’s voor milieu en volksgezondheid. De voorzieningenrechter weegt het belang van handhaving en milieubescherming zwaarder dan het bedrijfseconomisch belang van verzoekster en wijst het verzoek af.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter op 15 december 2020 en is niet vatbaar voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder dwangsom voor acceptatie van niet-vergunde afvalstroom MONG is afgewezen.