ECLI:NL:RBMNE:2020:5617

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 november 2020
Publicatiedatum
22 december 2020
Zaaknummer
UTR 19/2747
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.11 Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Utrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na verlening omgevingsvergunning

Eiser verzocht het college om handhavend op te treden tegen de bouw van twee abri’s en het splitsen van een inrit zonder vergunning. Het college wees dit verzoek aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar van eiser gegrond en herzag het besluit gedeeltelijk. Inmiddels is echter een omgevingsvergunning verleend voor de betreffende handelingen.

De rechtbank oordeelt dat het college op grond van de verlening van de vergunning geen handhavend optreden meer kan verrichten, waardoor het beroep van eiser feitelijk geen resultaat meer kan opleveren. Dit betekent dat eiser geen voldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Eiser is gewezen op de mogelijkheid om een nieuw handhavingsverzoek in te dienen indien de vergunning komt te vervallen.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na verlening van de omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/2747

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

24 november 2020 in de zaak tussen

[eiser], wonend in [woonplaats], eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht(hierna: het college), verweerder
(gemachtigde: mr. R.C. Alblas).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
ASR Vastgoed Vermogensbeheer B.V.,
(gemachtigde: mr. C van Deutekom).

Procesverloop

Eiser heeft op 13 november 2018 het college verzocht om handhavend op te treden tegen
de bouw van twee abri’s en het splitsen van de inrit van de parkeerplaats op het adres
[adres] in [woonplaats].
In het besluit van 20 december 2018 heeft het college eisers verzoek afgewezen.
Het bezwaar van eiser tegen dit besluit heeft het college in zijn besluit van 21 juni 2019 gegrond verklaard. Het college heeft het eerdere besluit gedeeltelijk herroepen voor zover daarin is overwogen dat er geen sprake is van een overtreding van artikel 2.11 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Utrecht. Omdat inmiddels ook voor dat onderdeel een omgevingsvergunning is verleend, heeft het college de rechtsgevolgen van het eerdere besluit in stand gelaten. Dit betekent dat het college zijn weigering om handhavend op te treden handhaaft.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2020. Eiser is verschenen. Namens het college is zijn gemachtigde verschenen. Namens derde-partij is haar gemachtigde verschenen samen met [A].
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Overwegingen

1. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Er is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat eiser met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
2. Eiser heeft aan het college gevraagd om handhavend op te treden omdat derde-partij het plaatsen van de abri’s en het splitsen van de inrit zonder vergunning heeft gerealiseerd. Daarin had eiser gelijk. Het college heeft dat ook erkend en vastgesteld dat sprake was van een overtreding. Dat betekent dat het college bevoegd was om handhavend op te treden.
3. Volgens vaste rechtspraak moet het college in de regel ook van deze bevoegdheid gebruik maken. Alleen bij bijzondere omstandigheden hoeft het college dat niet te doen. Die bijzondere omstandigheden zijn bijvoorbeeld aanwezig als concreet zicht op legalisering bestaat.
4. De rechtbank is van oordeel dat het college heeft kunnen besluiten dat in dit geval sprake is van concreet zicht op legalisatie. Vast staat immers dat inmiddels een vergunning is verleend voor het plaatsen van de abri’s en het splitsen van de inrit. Doordat die vergunning er ligt, is er geen sprake meer van een overtreding en kan het college niet meer handhavend optreden.
5. Omdat er geen sprake meer is van een bevoegdheid voor het college, kan eiser met zijn beroep niet meer bereiken wat hij wil. Daardoor heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Dat, zoals eiser aanvoert, het allemaal veel te lang heeft geduurd en het college te traag heeft gehandeld, maakt niet uit voor de vraag naar het procesbelang. Eiser voert verder geen andere belangen aan die maken dat hij wel procesbelang heeft. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank eisers beroep niet inhoudelijk zal beoordelen. De rechtbank heeft eiser er wel op gewezen dat hij een nieuw verzoek om handhaving kan indienen als de verleende vergunning van tafel zou gaan.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep. Onder aan dit proces-verbaal staat omschreven op welke wijze dit kan.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2020 door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.