Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoekster 2] ,
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster diende tijdens de mondelinge behandeling van de hoofdzaak een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter wegens vermeende vooringenomenheid. Het verzoek werd behandeld door de wrakingskamer, die tevens een wrakingsverzoek tegen haar voorzitter buiten behandeling stelde wegens misbruik van recht.
De wrakingskamer oordeelde dat de beslissing van de rechter om de mondelinge behandeling niet te schorsen een procesbeslissing is en geen reden tot wraking geeft, tenzij deze beslissing als blijk van vooringenomenheid kan worden gezien. Verzoekster kon niet onderbouwen waarom schorsing noodzakelijk was en stelde geen feiten die objectief wijzen op partijdigheid.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard. De procedure in de hoofdzaak wordt voortgezet zoals deze was op het moment van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt ongegrond verklaard en de procedure wordt voortgezet.