Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2020 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] uit [woonplaats 1], verzoekers(gemachtigde: mr. E.J. van Heiningen),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren, verweerder(gemachtigde: mr. F.R.M. van Lent).
[vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2]uit [woonplaats 2], vergunninghouders.
InleidingVergunninghouders zijn eigenaar van het onbebouwde perceel aan de [adres] in [woonplaats 1]. Zij willen daar een vrijstaande woning laten bouwen en hebben daarvoor een omgevingsvergunning aangevraagd bij verweerder. Verweerder heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend met het besluit van 25 augustus 2020.
Overwegingen
In beginsel wordt er niet van het bestemmingsplan afgeweken; het bestemmingsplan is immers het door de gemeenteraad vastgestelde planologisch kader met daarin voldoende bouwmogelijkheden. Bovendien kan, bovenop de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, op grond van het Bor ook nog een behoorlijke oppervlakte aan vergunningsvrije bebouwing worden gerealiseerd. Naast de mogelijkheden van het bestemmingsplan en het Bor is het niet gewenst om ook nog extra bebouwingsmogelijkheden te bieden op grond van de beleidsregels planologische afwijkingen.”