In deze civiele procedure vordert eiser een verklaring voor recht dat hij geen premie verschuldigd is over de periode van 15 december 2012 tot en met 14 december 2018, omdat ASR niet tijdig heeft gewaarschuwd over de gevolgen van verzwijging van medische voorgeschiedenis bij het afsluiten van zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. ASR betwist dit en stelt dat zij tijdig heeft gewaarschuwd en dat de premies niet verjaard zijn.
De rechtbank stelt vast dat ASR weliswaar tijdig heeft gewezen op de beperkingsclausule wegens rugklachten, maar niet op de herleving van de premieplicht met terugwerkende kracht en de daarmee gepaard gaande premieachterstand. Door onduidelijke en tegenstrijdige communicatie over de status van de verzekeringsovereenkomst tussen 2014 en 2018 en het niet informeren over de premieachterstand, was het voor eiser onduidelijk dat hij nog premie verschuldigd was.
De rechtbank oordeelt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat ASR alsnog betaling van de premieachterstand over deze periode vordert en dat de opzegging van de verzekeringsovereenkomst wegens wanbetaling onrechtmatig is. Daarom wordt de verzekeringsovereenkomst met beperkingsclausule met terugwerkende kracht tot 15 december 2012 herleefd. De vordering tot instemming met een afbetalingsregeling wordt afgewezen, maar ASR wordt geacht hierover met eiser in overleg te treden.
De proceskosten worden toegerekend aan ASR. De uitspraak benadrukt de zorgplicht van de verzekeraar om duidelijk en tijdig te informeren over premieverplichtingen en de gevolgen van verzwijging.