De moeder heeft bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek ingediend tot ontkenning van het ouderschap van de man, die in de geboorteakte van het kind als vader is vermeld. De moeder en de man waren getrouwd, maar zijn gescheiden voordat het kind werd geboren. De moeder is in 2015 zonder de man naar Nederland gevlucht en heeft sindsdien geen contact meer met hem.
Tijdens de zitting en in de stukken heeft de moeder samen met haar huidige partner verklaard dat de man niet de biologische vader kan zijn. De partner, die de Eritrese nationaliteit deelt met de moeder en het kind, heeft aangegeven de biologische vader te zijn en wil het kind erkennen zodra dat mogelijk is. De man is niet verschenen en heeft geen standpunt ingenomen.
De rechtbank oordeelt dat de moeder voldoende bewijs heeft geleverd om de ontkenning van het ouderschap te rechtvaardigen en acht DNA-onderzoek niet noodzakelijk. De rechtbank wijst het verzoek om de beslissing direct uitvoerbaar te verklaren af, omdat de ambtenaar van de burgerlijke stand pas een latere vermelding kan maken wanneer de beslissing onherroepelijk is.
De rechtbank verklaart het verzoek tot ontkenning van het ouderschap van de man gegrond en wijst het meer of anders verzochte af. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de uitspraak.