Verzoekster, eigenaar van een woning die in strijd met het bestemmingsplan door meer dan één huishouden wordt bewoond, kreeg een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik. De last bepaalde dat de woning uiterlijk 6 december 2020 door maximaal één huishouden mocht worden bewoond, met een dwangsom van €2.000 per week bij niet-naleving.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Omdat de begunstigingstermijn was verlengd tot 15 maart 2021 en verzoekster geen spoedeisend belang had onderbouwd, werd het verzoek afgewezen.
De voorzieningenrechter stelde dat er geen onomkeerbare situatie was ontstaan en dat verzoekster voldoende tijd had om de overtreding te beëindigen en eventueel rechtsmiddelen te gebruiken tegen de beslissing op bezwaar. Ook bleek het primaire besluit niet evident onrechtmatig, zodat een voorlopige voorziening niet gerechtvaardigd was.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en er is geen rechtsmiddel tegen mogelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.