Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, bekendgemaakt op 14 mei 2020. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet een beroep binnen zes weken na bekendmaking worden ingediend. Het beroepschrift had uiterlijk op 25 juni 2020 door de rechtbank ontvangen moeten zijn, maar werd pas op 30 juni 2020 gepost, waardoor het te laat was.
Eiser voerde aan dat zijn situatie als dakloze, zijn geestelijke toestand, en de coronamaatregelen, waaronder het feit dat zijn post via zijn dochter liep die geen besef had van termijnen, een verschoonbare reden vormden voor de termijnoverschrijding. Ook voegde hij een doktersverklaring toe. De rechtbank erkende de lastige omstandigheden, maar oordeelde dat eiser zelf of via een vertegenwoordiger tijdig had moeten reageren. De doktersverklaring had betrekking op een urgentieverzoek en bood geen grond om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en behandelde het niet inhoudelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter V.E. van der Does op 10 december 2020 in Utrecht.