Eiseres diende op 20 februari 2019 een verzoek in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, had uiterlijk 20 maart 2019 moeten beslissen, maar deed dit niet binnen de termijn.
Eiseres stelde verweerder pas op 17 juli 2020 ingebrekelijk, bijna anderhalf jaar na het verstrijken van de beslistermijn, en diende vervolgens op 6 augustus 2020 het beroep in. De rechtbank oordeelde dat dit te laat was en dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is op grond van artikel 6:12, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank benadrukte dat eiseres geen omstandigheden had aangevoerd die het late indienen konden rechtvaardigen en dat zij eerder had moeten handelen als zij belang hechtte aan een spoedige beslissing. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.