ECLI:NL:RBMNE:2020:5998

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 oktober 2020
Publicatiedatum
5 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 19/3915
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 Awb
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens overschrijding beslistermijn en vaststelling dwangsom verklaring van geschiktheid

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag voor een verklaring van geschiktheid. De aanvraag werd op 31 mei 2019 ontvangen, waarna verweerder uiterlijk 26 juli 2019 had moeten besluiten. Eiseres stelde verweerder op 23 september 2019 in gebreke.

Verweerder nam pas op 22 oktober 2019 een besluit, waarmee de beslistermijn was overschreden. De rechtbank stelt vast dat verweerder ook geen dwangsom heeft vastgesteld, terwijl de wet dit voorschrijft bij overschrijding. De rechtbank stelt de dwangsom nu vast op €357,- over de periode van 8 tot 22 oktober 2019.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht van €174,- en proceskosten van €262,50 aan eiseres, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en wijst het beroep toe op deze gronden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €357,-, griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3915

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.Th. van Alkemade),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag om een verklaring van geschiktheid.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een
‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres op 31 mei 2019 ontvangen. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder op deze aanvraag moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb. Verweerder had dus uiterlijk op 26 juli 2019 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat eiseres verweerder op 23 september 2019 in gebreke heeft gesteld.
4. Bij brief van 23 oktober 2019 heeft eiseres de rechtbank bericht dat verweerder op 22 oktober 2019 alsnog een besluit heeft genomen op haar aanvraag, maar dat verweerder zich niet heeft uitgelaten over de verschuldigde dwangsommen. Eiseres handhaaft daarom haar beroep.
5. In artikel 4:17 van Pro de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, van de Awb).
6. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog (artikel 8:55c van de Awb). De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 8 oktober 2019 tot 22 oktober 2019 en bedraagt € 357,-.
7. Het beroep is kennelijk gegrond.
8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 262,50.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 174,- aan eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 357,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 174,- aan eiseres moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 262,50 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2020.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.