ECLI:NL:RBMNE:2020:6004

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
22 oktober 2020
Publicatiedatum
5 augustus 2021
Zaaknummer
UTR 20/2444
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens tijdige beslissing op verzoek om inzage

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om inzage, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 12 maart 2020 verweerder had opgedragen binnen zes weken opnieuw te beslissen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder uiterlijk op 23 april 2020 had moeten beslissen en dat dit besluit op 20 april 2020 is genomen. Hierdoor is het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk.

De feitelijke uitvoering van het besluit, namelijk de inzage zelf, heeft vanwege de coronapandemie nog niet plaatsgevonden, maar dit leidt niet tot een ander oordeel. Ook het wachten op een buitengerechtelijke oplossing in een civiele zaak over inzagegegevens verandert hier niets aan.

Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder tijdig heeft beslist op het verzoek om inzage.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2444

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 oktober 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en

de korpschef van politie, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van de rechtbank van 12 maart 2020 (zaaknummer UTR 19/2917). In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken opnieuw moet beslissen op eisers verzoek om inzage. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat niet heeft gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is (artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
3. Soms kan echter niet van iemand niet worden verwacht dat er eerst een ingebrekestelling wordt gestuurd. Dat is in deze situatie het geval, omdat de rechtbank verweerder in de uitspraak van 12 maart 2020 opdracht heeft gegeven om binnen zes weken een nieuw besluit op de aanvraag te nemen (artikel 6:12, derde lid, van de Awb).
4. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak is verzonden op 12 maart 2020. Verweerder had dus uiterlijk op 23 april 2020 een besluit moeten nemen. De rechtbank stelt vast dat verweerder binnen deze termijn heeft beslist, namelijk op 20 april 2020.
5. Omdat door verweerder binnen de door de rechtbank gestelde termijn is beslist op het verzoek om inzage, is het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk. Dat ten gevolge van de uitbraak van het coronavirus de feitelijke uitvoering van dat besluit, de inzage zelf, nog niet heeft plaatsgevonden geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Ook de uitleg van verweerder dat met de feitelijke uitvoering van het genomen besluit wordt gewacht tot de uitkomst van het beproeven van een buitengerechtelijke oplossing in een civiele zaak tussen eiser, verweerder en het Openbaar Ministerie over inzage in gegevens die ten aanzien van eiser worden verwerkt, betekent niet dat er niet binnen de termijn op het verzoek van eiser is beslist.
6. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E. van der Does, rechter, in aanwezigheid van N.J.R. Kalaykhan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2020.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.