Eiser ontving sinds 2013 een bijstandsuitkering en woonde op een opgegeven adres. Verweerder startte in 2019 een onderzoek naar de woonsituatie van eiser vanwege twijfels over zijn verblijfplaats. Op 4 november 2019 werd een afspraak gepland, die eiser wegens ziekte telefonisch afzegde en meldde dat hij thuis was. Een medewerker controleerde het adres en trof een derde persoon aan die verklaarde dat eiser niet thuis was. Op basis hiervan werd de uitkering opgeschort en later ingetrokken.
Eiser betwistte de rechtmatigheid van de opschorting en stelde dat hij daadwerkelijk thuis was en dat de derde persoon in opdracht van hem had verklaard dat hij niet thuis was. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende zorgvuldig had onderzocht of eiser daadwerkelijk afwezig was, omdat er geen directe confrontatie met de derde persoon had plaatsgevonden en geen navraag bij eiser zelf.
De rechtbank concludeerde dat het opschortingsbesluit een motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek vertoonde en daarom onrechtmatig was. Hierdoor verviel ook de grondslag voor het intrekkingsbesluit. Het beroep werd gegrond verklaard, de besluiten werden vernietigd en het recht op uitkering per 4 november 2019 herleefde. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.