ECLI:NL:RBMNE:2020:705

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2020
Publicatiedatum
25 februari 2020
Zaaknummer
C/16/497062 / FA RK 20-1063
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 WvggzArt. 3:2 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voortzetting crisismaatregel op grond van geen verzet bij psychiatrische zorg

De officier van justitie verzocht op 12 februari 2020 om voortzetting van een crisismaatregel ten aanzien van betrokkene, opgelegd op 10 februari 2020, op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De maatregel omvatte onder meer beperkingen in de vrijheid, opname in een accommodatie, toediening van medicatie en toezicht.

Op 13 februari 2020 vond de mondelinge behandeling plaats waarbij betrokkene, diens advocaat, een arts, psychiater, partner, zus en verpleegkundige werden gehoord. De arts gaf aan dat het beter ging met betrokkene en dat afspraken over vrijwillig verblijf mogelijk waren, waardoor een machtiging niet langer noodzakelijk was. Betrokkene gaf aan niet bang te zijn voor terugval en inziet dat zorg nodig is.

De rechtbank constateerde dat er sprake is van een onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychische stoornis, maar dat betrokkene zich niet verzet tegen de noodzakelijke zorg. Daarom werd het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel afgewezen. De beschikking werd mondeling gegeven op 13 februari 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 21 februari 2020.

Uitkomst: Het verzoek tot voortzetting van de crisismaatregel wordt afgewezen omdat betrokkene geen verzet toont tegen noodzakelijke zorg.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/497062 / FA RK 20-1063
Betrokkenenummer: [betrokkenenummer]
Machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
Beschikking van 13 februari 2020naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1988, te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] te [woonplaats] ,
verblijvende te [verblijfplaats] te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. A.W. van Luipen.

1.Procesverloop

1.1.
Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 12 februari 2020, heeft de officier van justitie verzocht om voortzetting van de op 10 februari 2020 opgelegde crisismaatregel.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel d.d. 10 februari 2020;
  • de medische verklaring d.d. 10 februari 2020;
  • de gegevens over eerder afgegeven machtigingen ingevolge de Wet BOPZ en de Wvggz;
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 februari 2020, op de locatie [verblijfplaats] te [plaatsnaam] .
1.3.
Daarbij heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- de betrokkene,
- de advocaat van betrokkene,
- de heer [A] , AIOS, hierna te noemen de arts,
Verder waren aanwezig:
  • de heer [B] , psychiater,
  • de heer [C] , partner van betrokkene,
  • mevrouw [D] , zus van betrokkene,
  • Mevrouw [E] , verpleegkundige.
1.4.
De officier van justitie heeft van tevoren laten weten dat hij niet voornemens is bij de mondelinge behandeling te verschijnen.
1.5.
De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling direct uitspraak gedaan.

2.Beoordeling

2.1.
In de crisismaatregel waarvan de officier van justitie voortzetting vraagt, zijn de volgende vormen van verplichte zorg, als bedoeld in artikel 3:2 Wvggz Pro, opgenomen:
toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
beperken van de bewegingsvrijheid;
insluiten;
uitoefenen van toezicht op betrokkene;
onderzoek aan kleding of lichaam;
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
opnemen in een accommodatie.
2.2.
De arts heeft op de mondelinge behandeling verteld dat het beter gaat met betrokkene. Het lukt de arts om met betrokkene afspraken te maken over een vrijwillig verblijf en een machtiging is daarom niet meer nodig. Betrokkene heeft daarop gezegd dat zij niet bang is voor een terugval en dat zij inziet dat zij zorg en verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis nodig heeft. De advocaat heeft daarom gepleit voor afwijzing van het verzoek.
2.3.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, met name gelegen in ernstige psychische schade. Vermoed wordt dat dit nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis, in de vorm van een schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornis. De crisissituatie is zo ernstig dat de procedure voor een zorgmachtiging niet kan worden afgewacht.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat is gebleken dat betrokkene zich niet verzet tegen de noodzakelijke zorg om het nadeel af te wenden. De rechtbank zal het verzoek derhalve afwijzen.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 13 februari 2020 mondeling gegeven door mr. J.P.M. Schwillens, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door M. van de Vliert-Vos als griffier, en op 21 februari 2020 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.