ECLI:NL:RBMNE:2020:913

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 februari 2020
Publicatiedatum
10 maart 2020
Zaaknummer
C/16/497147 / FA RK 20-1095
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Wet zorg en dwangArt. 3.2.3 Wet langdurige zorgArt. 1 lid 1c Wet zorg en dwang
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging voortzetting inbewaringstelling wegens ernstig nadeel door Alzheimer

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 14 februari 2020 het verzoek tot machtiging van voortzetting van inbewaringstelling van een betrokkene met de ziekte van Alzheimer. Het verzoek was ingediend door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) en ondersteund door medische verklaringen en een indicatiebesluit.

Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde de betrokkene zich verzet te hebben tegen voortzetting van haar verblijf, terwijl haar dochters en de specialist ouderengeneeskundige stelden dat zij volledig hulpbehoevend is en thuiszorg niet meer volstaat. De rechtbank concludeerde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, met name ernstige verwaarlozing, veroorzaakt door de psychogeriatrische aandoening.

De rechtbank oordeelde dat voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk en proportioneel is, omdat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde effect bereiken. De machtiging werd verleend voor een periode van zes weken, tot en met 27 maart 2020.

Uitkomst: Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend voor zes weken wegens ernstig nadeel door Alzheimer.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/497147 / FA RK 20-1095
Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
Beschikking van 14 februari 2020, naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [1936] te [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] te [woonplaats] ,
verblijvende in [woonzorgcentra] , locatie [locatie] te [vestigingsplaats] ,
advocaat: mr. B. van Nimwegen waarnemend voor mr. L. Sinoo.
Procesverloop
1.1. Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 12 februari 2020.
Bij het verzoekschrift zijn (onder meer) de volgende bijlagen gevoegd:
- de beschikking van de burgemeester d.d. 11 februari 2020;
- de medische verklaring d.d. 11 februari 2020;
-het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg dan wel een verklaring als bedoeld in artikel 1 lid Pro 1c Wzd d.d. 21 december 2018.
1.2. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 februari 2020, bij [woonzorgcentra] , op de locatie [locatie] te [vestigingsplaats] .
1.3. Daarbij heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- de betrokkene,
- mr. B. van Nimwegen, de advocaat,
- mevrouw [A] , specialist ouderengeneeskundige,
- de dochters van betrokkene.

2.Beoordeling

2.1.
Betrokkene heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat alles tegen zit en dat zij het moeilijk vindt dat haar man de hele dag op bed ligt. Zij wil graag bij haar zieke man zijn. De advocaat heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
2.2.
Volgens de specialist ouderengeneeskundige kan betrokkene niet meer voor zichzelf zorgen. Op de afdeling gaat het redelijk met haar, zij mist vooral haar man, maar daarin kunnen zij betrokkene begeleiden. De dochters van betrokkene hebben naar voren gebracht dat de situatie thuis ook met thuiszorg niet meer houdbaar is omdat hun vader door zijn ziekte niet meer voor hun moeder kan zorgen.
2.3.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er
sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychogeriatrische aandoening te weten de ziekte van Alzheimer, dit ernstig nadeel veroorzaakt.
2.4.
Het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel is met name gelegen in ernstige verwaarlozing.
2.5.
Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is
voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.6.
De betrokkene verzet zich tegen een voortzetting van haar verblijf in de accommodatie. Dit blijkt uit haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling.
2.7.
De rechtbank is toch van oordeel dat betrokkene opgenomen moet blijven, want betrokkene is volledig hulpbehoevend. De nodige zorg kan thuis niet meer aan betrokkene worden geboden.
2.8.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes weken, en geldt aldus tot en met 27 maart 2020 .

3.Beslissing

De rechtbank:
- verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van
[betrokkene], geboren op [1936] te [geboorteplaats] ,
- bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 27 maart 2020.
Deze beschikking is op 14 februari 2020 mondeling gegeven door mr. V.M.M. van Amstel, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door mr. Z.E.W. Fuchs als griffier, en op 21 februari 2020 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.