In deze zaak stond het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling (OTS) van een minderjarige centraal, alsmede het verzoek tot bekrachtiging van een schriftelijke aanwijzing aan de vader. De kinderrechter had eerder de OTS verlengd tot 20 februari 2021. De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat de grenzen van de OTS zijn bereikt en dat verlenging niet zinvol is, mede omdat vader niet wil samenwerken en de omgang met de minderjarige is stopgezet vanwege het niet nakomen van afspraken.
De moeder werkt goed samen met de hulpverlening en wil de OTS beëindigen, terwijl vader zich tegenwerkt en zich niet aan afspraken houdt. De kinderrechter oordeelde dat de ontwikkeling van de minderjarige goed verloopt en dat de GI geen taak meer heeft na het beëindigen van de OTS. Daarom is het verzoek tot verlenging van de OTS afgewezen.
Daarnaast werd het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing afgewezen, omdat deze aanwijzing alleen relevant is binnen de context van een lopende OTS. Nu de OTS eindigt, vervalt de functie van de schriftelijke aanwijzing. De beslissing werd mondeling uitgesproken op 16 februari 2021 door kinderrechter M.M. Janssen-Witteveen.