Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het beëindigingsbesluit van zijn bijstand per 24 november 2020 en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. Na een nieuwe aanvraag van bijstand op 14 december 2020 heeft verweerder bijstand toegekend met ingang van die datum. Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en vroeg vergoeding van proceskosten.
De voorzieningenrechter overweegt dat de toekenning van bijstand het gevolg is van de nieuwe aanvraag en niet van het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit. Omdat het beëindigingsbesluit niet is herroepen wegens onrechtmatigheid, is er geen grond voor een proceskostenvergoeding op grond van de Awb.
Met betrekking tot het betaalde griffierecht bij het verzoek om voorlopige voorziening wijst de voorzieningenrechter erop dat dit alleen kan worden terugbetaald indien het bestuursorgaan schriftelijk toezegt de uitvoering van het besluit op te schorten. Dit was niet het geval, zodat verzoeker zich tot verweerder moet wenden voor vergoeding.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af en verklaart dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet mogelijk is.