Eiser maakte bezwaar tegen twee besluiten van het UWV over herziening en terugvordering van een WW-uitkering over de periode september 2016 tot maart 2017. Het UWV nam pas op 19 maart 2020 een beslissing op deze bezwaren, terwijl de beslistermijn uiterlijk op 8 november 2019 of uiterlijk 20 december 2019 had moeten verlopen. Eiser stelde het UWV op 3 maart 2020 formeel in gebreke vanwege het uitblijven van een tijdige beslissing.
De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling terecht was en dat het UWV de beslissing twee dagen te laat nam. Hierdoor is het UWV aan eiser een dwangsom verschuldigd van €23 per dag per besluit, in totaal €92. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de dwangsom betreft, maar laat de inhoudelijke beslissing over de herziening en terugvordering ongewijzigd.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.068,-, en het griffierecht van €48,-. Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit aangepast. De uitspraak is gedaan door rechter Rijlaarsdam op 23 februari 2021.