Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2021 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker(gemachtigde: mr. M.M. van Miltenburg),
(gemachtigde: mr. E. Witte).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) dat hem geen Wajonguitkering toekende. Na beroep heeft het UWV op 11 december 2020 een nieuw besluit genomen waarin alsnog een Wajonguitkering werd toegekend met terugwerkende kracht per 10 maart 2019. Hierdoor heeft verzoeker het beroep ingetrokken en een vergoeding van zijn proceskosten gevraagd.
De rechtbank beoordeelt het verzoek om proceskostenveroordeling op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Omdat het UWV al een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase had toegekend, richt de beoordeling zich op de beroepsfase. De rechtbank acht het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelt het UWV tot vergoeding van de door verzoeker gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 1.335,-.
Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 47,- te vergoeden. Verzoeker wordt geadviseerd zich hiervoor rechtstreeks tot het UWV te wenden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 19 maart 2021.
Uitkomst: Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 1.335,-.