ECLI:NL:RBMNE:2021:1119
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde vrijstaande woning in Utrecht
De zaak betreft een beroep van een eigenaar tegen de WOZ-waarde van zijn vrijstaande woning in Utrecht, vastgesteld op €340.000,- voor het belastingjaar 2019 met waardepeildatum 1 januari 2018. De eigenaar stelde een lagere waarde van €320.000,- voor, maar de gemeente handhaafde de oorspronkelijke waarde.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Dit is onderbouwd met een taxatiematrix waarin vier vergelijkbare vrijstaande woningen uit dezelfde bouwperiode zijn meegenomen, waarbij rekening is gehouden met verschillen in inhoud, perceeloppervlakte en onderhoudstoestand.
De door de eigenaar aangevoerde bezwaren, zoals het verschil in ligging tussen Utrecht en een andere plaats, het ontbreken van indexering van verkoopprijzen naar de waardepeildatum en de vergelijking met een specifieke woning, zijn door de rechtbank niet gegrond verklaard. De taxateur erkende het ontbreken van indexering, maar dit werd niet als doorslaggevend beschouwd omdat de transacties dicht bij de waardepeildatum plaatsvonden.
De rechtbank concludeert dat de waarde van de woning adequaat is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €340.000,- wordt ongegrond verklaard.