ECLI:NL:RBMNE:2021:1151

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2021
Publicatiedatum
24 maart 2021
Zaaknummer
19/5217
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning wegens onvoldoende onderbouwing afnemend grensnut

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in een woonplaats, voor het belastingjaar 2019. Verweerder had de waarde vastgesteld op €264.000,- en een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en bepleitte een lagere waarde van €241.000,-, onder meer vanwege gedateerde voorzieningen en het niet in acht nemen van het afnemend grensnut.

De rechtbank oordeelde dat verweerder met een taxatiematrix en vergelijkingsmethode met referentiewoningen aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Daarbij is voldoende rekening gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, perceelgrootte en voorzieningenniveau. Het beroep op het afnemend grensnut faalde omdat eiser dit niet inzichtelijk of onderbouwd had gemaakt.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.R. van Es-de Vries op 18 maart 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €264.000,- wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5217

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: C. van Abbe)
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (voorheen: de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking SWW-gemeenten), verweerder
(gemachtigde: mr. A.J. van Griethuysen).

Procesverloop

In de beschikking van 20 februari 2019 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de
[adres] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op € 264.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2018. Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
In de uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift met daarin een taxatiematrix ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 februari 2021 door middel van een
Skype-beeldverbinding. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.De woning is een in 1976 gebouwde rijwoning met een berging/schuur en een tuin. Verweerder heeft de waarde van de woning vastgesteld op € 264.000,-.
2.Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 241.000,-. Eiser voert in beroep aan dat onvoldoende rekening is gehouden met de gedateerde voorzieningen zoals de badkamer en de keuken. Volgens eiser onderbouwen de door verweerder genoemde referentiewoningen een lagere waarde. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het afnemend grensnut.
3.Verweerder heeft de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het verweerschrift en de daarin opgenomen taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Uit de taxatiematrix blijkt dat de waarde van de woning is bepaald met behulp van een methode van vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type, waarvan marktgegevens beschikbaar zijn. Met de taxatiematrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer gebruiks- en perceeloppervlakte. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
4.Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat met het voorzieningenniveau van het onderhavig object voldoende rekening is gehouden nu er is vergeleken met verkooptransacties van objecten met een soortgelijk voorzieningenniveau. Verweerder heeft zelfs een lagere m³ gehanteerd dan de gemiddelde m³ prijs van de transacties van de referentiewoningen. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op het afnemend grensnut niet nu eiser dit niet inzichtelijk heeft gemaakt of onderbouwd. De beroepsgronden van eiser slagen niet.
5.Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat de door hem vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is uitgesproken op 18 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
De rechter is verhinderd om deze
uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat