ECLI:NL:RBMNE:2021:1154

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2021
Publicatiedatum
24 maart 2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3599
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WWArt. 7:672 BWArt. 6:762 BWArt. 2:6 cao Gehandicaptenzorg 2019-2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen weigering WW-uitkering wegens opzegtermijn bij langdurig dienstverband

Eiser heeft zijn arbeidsovereenkomst met zijn werkgever beëindigd per 1 september 2020 via een vaststellingsovereenkomst. Hij vroeg aansluitend een WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering toe te kennen vóór 1 november 2020, omdat volgens hen een opzegtermijn van vier maanden voor de werkgever gold op grond van artikel 7:672 lid 2 sub d BW Pro, vanwege het langdurige dienstverband van vijftien jaar of langer.

Eiser stelde dat de toepasselijke cao Gehandicaptenzorg 2019-2021 (cao 19/21) indirect afweek van deze wettelijke opzegtermijn, omdat in een wijzigingsovereenkomst was overeengekomen dat de opzegtermijn voor werkgever en werknemer twee maanden bedroeg, conform artikel 2:6 van Pro de cao. Volgens eiser maakte dit dat de wettelijke verlengde opzegtermijn niet van toepassing was.

De rechtbank oordeelde dat artikel 7:672 lid 6 BW Pro bepaalt dat de verlengde opzegtermijn alleen kan worden verkort door een collectieve arbeidsovereenkomst of een regeling van een bevoegd bestuursorgaan. De cao 19/21 bevat geen uitdrukkelijke afwijking van de wettelijke opzegtermijn voor langdurige dienstverbanden. De rechtbank zag geen ruimte voor een indirecte afwijking zoals door eiser betoogd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van de WW-uitkering vóór het verstrijken van de wettelijke opzegtermijn wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Heijden),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: M. Tieman).

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij tot en met 31 oktober 2020 niet voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) in aanmerking komt.
Bij besluit van 28 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. De arbeidsovereenkomst van eiser en zijn werkgever [werkgever] is per 1 september 2020 door een vaststellingsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd. Eiser heeft aansluitend een WW-uitkering bij verweerder aangevraagd.
2. In het derde lid van artikel 19 WW Pro is hierover bepaald dat de werknemer geen recht heeft op een WW-uitkering:
- zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken, en
- de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, geldt de in de vorige zin genoemde opzegtermijn voor de werkgever.
3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de uitkering van eiser niet vóór 1 november 2020 kan ingaan, omdat voor de werkgever van eiser een opzegtermijn van 4 maanden gold. Verweerder baseert zich hiervoor op het bepaalde in artikel 7:672, tweede lid, onder d, van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is geregeld dat de opzegtermijn voor de werkgever wordt verlengd tot 4 maanden bij een arbeidsovereenkomst die, zoals bij eiser en (de rechtsvoorgangers van) [werkgever], 15 jaar of langer heeft geduurd.
4. Eiser heeft hiertegen ingebracht dat in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst Gehandicaptenzorg 2019-2021 (cao 19/21) indirect is afgeweken van de opzegtermijn van 4 maanden voor de werkgever bij een dienstverband van 15 jaar of langer. Hierdoor geldt de wettelijke opzegtermijn van 4 maanden niet. Eiser verwijst hiervoor naar het bepaalde in artikel 9 van Pro de op 1 juli 2008 ondertekende wijzigingsovereenkomst van zijn individuele arbeidsovereenkomst, waarin is bepaald dat de opzegtermijn voor werkgever en werknemer twee maanden bedraagt overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:762 BW Pro en artikel 2:6, tweede lid, van de cao 19/21. In deze laatste bepaling staat namelijk dat bij verlenging van de opzegtermijn voor de werknemer (zoals bij eiser overeengekomen in de wijzigingsovereenkomst) de opzegtermijn voor de werkgever gelijk is aan die van de werknemer, tenzij de opzegtermijn langer dan drie maanden is. Hiermee is in de visie van eiser komen vast te staan dat bij de cao 19/21 indirect is afgeweken van het bepaalde in artikel 7:672, tweede lid, onder d, van het BW over de opzegtermijn bij een arbeidsovereenkomst van meer dan vijftien jaar. De visie van verweerder zou volgens eiser het bepaalde in artikel 7:672, achtste lid, van het BW ook tot een dode letter maken.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 7:672, tweede lid, van het BW is bepaald dat de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging vijftien jaar of langer heeft geduurd (zie onder d.) vier maanden is. Het zesde lid van het artikel bepaalt verder dat de termijn van het tweede lid slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst (of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan) kan worden verkort. In artikel 2:6 van Pro de cao 19/21 is geregeld dat in geval van beëindiging van de individuele arbeidsovereenkomst door opzegging de wettelijke bepalingen omtrent opzegtermijnen van toepassing zijn, tenzij in de cao uitdrukkelijk anders wordt bepaald.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser en verweerder het er over eens zijn dat de cao 19/21van toepassing is en dat in deze cao niet wordt afgeweken van het bepaalde in artikel 7:672, tweede lid, van het BW. De rechtbank ziet geen aanleiding eisers redenering te volgen, omdat de tekst van artikel 2:6 van Pro de cao 19/21 duidelijk is. De rechtbank ziet in deze bepaling geen ruimte voor eisers visie dat bij afwezigheid van een uitdrukkelijke afwijking van de wettelijke bepaling toch een afwijkende opzegtermijn zou kunnen gelden langs een indirecte weg. De tekst van de bepaling is duidelijk en vereist een uitdrukkelijke afwijking. Bij verlenging van de relatief korte opzegtermijn van de werknemer is een beperkte afwijkende regeling ten gunste van de werkgever opgenomen in artikel 2:6, tweede lid, van de cao. Uit niets blijkt dat door cao-partijen is beoogd dat deze afwijking van de opzegtermijn ook doorwerkt in de ter bescherming van de werknemer geldende verlengde wettelijke opzegtermijnen bij lange(re) dienstverbanden. Dat eisers redenering juist moet zijn, omdat anders het bepaalde in het achtste lid van artikel 7:672 van Pro het BW een dode letter zou zijn, kan de rechtbank niet volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R. in 't Veld, rechter, in aanwezigheid van B.A. Rietema, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze De rechter is verhinderd deze uitspraak te uitspraak te ondertekenen. ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.