ECLI:NL:RBMNE:2021:1169

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 maart 2021
Publicatiedatum
25 maart 2021
Zaaknummer
UTR 20/1584
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin kosten van een WGA-uitkering op haar werden verhaald. Verweerder heeft op 28 januari 2021 een nieuw besluit genomen waarin hij terugkomt op de eerdere beslissing en erkent dat de uitkering ten onrechte op verzoekster is verhaald. Hierdoor is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster, die daarop haar beroep heeft ingetrokken en een vergoeding van proceskosten heeft gevraagd.

De rechtbank beoordeelt het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Omdat verweerder reeds een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend, beperkt de rechtbank haar beoordeling tot de beroepsfase.

De rechtbank acht het verzoek kennelijk gegrond en veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 534,- voor de beroepsfase. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 354,- te vergoeden, waarvoor verzoekster zich rechtstreeks tot verweerder moet wenden.

De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Moed en griffier M. van der Knijff op 24 maart 2021 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van € 534,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1584

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 maart 2021 in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster(gemachtigde: mr. G. van Zon),

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar van 6 maart 2020 de kosten van de WGA-uitkering, die verweerder over de maand augustus 2019 heeft betaald aan de (ex)werkneemster [A] van [Bedrijfsnaam] , verhaald op verzoekster.
Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 28 januari 2021 heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarin hij terugkomt op de beslissing op bezwaar en beslist dat de uitkering ten onrechte op verzoekster is verhaald. Daarmee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
4. In het nieuwe besluit heeft verweerder al een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 534,- met een wegingsfactor 1).
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 354,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 534,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van der Knijff, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 24 maart 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
De griffier is niet in de gelegenheid
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.