AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan
Verzoekster diende beroep in tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over haar aanspraken op een WIA- en Ziektewetuitkering. Nadat het UWV op één bezwaar terugkwam en dit alsnog gegrond verklaarde, trok verzoekster haar beroepen in en verzocht om vergoeding van haar proceskosten.
De rechtbank heeft het verzoek om proceskostenvergoeding beoordeeld op grond van artikel 8:54 AwbPro en de relevante proceskostenregels. Omdat het UWV niet heeft gereageerd op het verzoek en verzoekster het gewenste resultaat heeft bereikt, werd het verzoek toegewezen.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van € 534,- aan proceskosten en het griffierecht van € 47,-. De zaken waren gevoegd behandeld, waardoor een gezamenlijke beoordeling volstond. De uitspraak is gedaan door rechter R. in ’t Veld op 30 maart 2021.
Uitkomst: Het bestuursorgaan wordt veroordeeld tot betaling van € 534,- aan proceskosten en € 47,- griffierecht aan verzoekster.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 19/5255 en UTR 19/5256
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2021 in de zaak tussen
[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. J. Yoshikawa),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. Verweerder heeft op 26 maart 2019 en 11 juli 2019 besluiten genomen over de aanspraken van eiseres op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en de Ziektewet (ZW). Verweerder heeft de bezwaren van verzoekster met twee besluiten van 14 november 2019 ongegrond verklaard. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 19 november 2020 heeft verweerder medegedeeld dat hij terugkomt op het besluit van 14 november 2019 en het bezwaar tegen de beslissing van 11 juli 2019 alsnog gegrond verklaard. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde bereiken met haar beroep tegen dit besluit. Verzoekster heeft daarna de beroepen tegen beide besluiten van 14 november 2019 ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
3. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
4. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 19 januari 2021 verzocht om een reactie op het verzoek van verzoekster om een proceskostenvergoeding. Verweerder heeft hier niet op gereageerd.
5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding in de zaak met zaaknummer UTR 19/5255 toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster. Omdat de zaken UTR 19/5255 en 19/5256 gevoegd zijn behandeld, is er geen aanleiding voor een aparte beoordeling van het verzoek tot vergoeding in de zaak UTR 19/5256.
6. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank vast op € 534,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een wegingsfactor 1).
7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het in de zaak UTR 19/5255 door verzoekster betaalde griffierecht van € 47,00 te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 534,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door R. in ’t Veld, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier .De beslissing is uitgesproken op 30 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Griffier rechter
De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.