ECLI:NL:RBMNE:2021:1278
Rechtbank Midden-Nederland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek tegen familierechter ongegrond verklaard wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid
In deze wrakingszaak heeft verzoekster een verzoek tot wraking ingediend tegen de familierechter naar aanleiding van de zitting van 17 februari 2021 en de daarop volgende procedurele beslissingen. Verzoekster voelde zich niet gehoord en meende dat de rechter eenzijdig kritisch was, vooral jegens haar, en dat de rechter heimelijk geluidsfragmenten had beluisterd en uitgewerkt zonder volledige transparantie.
De wrakingskamer oordeelde dat verzoekster ontvankelijk was in haar verzoek. Het toetsingskader richtte zich op de vraag of er sprake was van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. De kamer concludeerde dat kritische bevraging door de rechter binnen haar taak valt en dat het niet stellen van kritische vragen aan de wederpartij geen aanwijzing is voor vooringenomenheid.
De beslissing van de rechter om geluidsfragmenten na de zitting te beluisteren en een fragment uit te werken en aan partijen te sturen, werd aangemerkt als een procesbeslissing die niet onbegrijpelijk was. De rechter had bovendien een nieuwe zitting gepland om hoor en wederhoor toe te passen, wat de zorgvuldigheid van de procedure versterkte.
Gezien deze omstandigheden was er geen sprake van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en de procedure werd voortgezet in de stand waarin deze zich bevond voor de schorsing.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de familierechter is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.