ECLI:NL:RBMNE:2021:1316

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 maart 2021
Publicatiedatum
2 april 2021
Zaaknummer
UTR - 20 _ 2544
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep zorg- en huurtoeslag

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het vastgestelde voorschot zorgtoeslag en huurtoeslag over 2019. De Belastingdienst had het bezwaar aanvankelijk ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde bij de rechtbank Midden-Nederland.

Tijdens de procedure verklaarde de Belastingdienst het bezwaar alsnog gegrond en gaf aan akkoord te gaan met een proceskostenvergoeding indien verzoeker het beroep introk. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst aan het beroep was tegemoetgekomen en dat het verzoek om proceskostenvergoeding gegrond was. De proceskosten werden vastgesteld op €1.068,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wees de rechtbank erop dat het griffierecht van €48,- door de Belastingdienst moet worden vergoed.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en is openbaar gemaakt op 17 maart 2021 door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van €1.068 aan proceskosten na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2544

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2021 in de zaak tussen

[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker(gemachtigde: mr. F. Folkers),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder(gemachtigde: mr. S. Akbulut).

Procesverloop

In het besluit van 7 februari 2020 (primair besluit) heeft verweerder voor het jaar 2019 het voorschot zorgtoeslag vastgesteld op € 1.272,- en het voorschot huurtoeslag op € 2.854,-.
In het besluit van 29 mei 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2021. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
Verweerder heeft het bezwaar van verzoeker vervolgens bij besluit van 17 februari 2021 alsnog gegrond verklaard en de rechtbank meegedeeld dat hij, voor zover eiser het beroep intrekt, zich kan vinden in een proceskostenvergoeding van één punt voor het schrijven van het beroepschrift conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Verzoeker heeft op 1 maart 2021 het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
4. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht zoals dat geldt per 1 januari 2021 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- met een wegingsfactor 1).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.068,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.P. Stehouwer, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
17 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de De rechter is verhinderd om de
uitspraak te ondertekenen. uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.