ECLI:NL:RBMNE:2021:1359
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende motivering bij beoordeling Ziektewet-uitkering
Eiseres, een voormalige callcentermedewerker, ontving sinds 15 juni 2018 een Ziektewet-uitkering. Verweerder besloot op 27 september 2019 deze uitkering te beëindigen per 28 oktober 2019, omdat eiseres volgens medische en arbeidskundige rapportages meer dan 65% van haar maatmanloon kon verdienen. Eiseres maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 20 januari 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank onderzocht de medische gronden waarop het besluit was gebaseerd. Eiseres stelde dat haar fysieke klachten, zoals bekkeninstabiliteit en urine-incontinentie, onvoldoende waren meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat de medische gegevens geen aanwijzingen gaven voor een hogere mate van beperkingen op de datum in geding. De rechtbank volgde deze conclusie.
Echter, ten aanzien van de psychische klachten oordeelde de rechtbank anders. Eiseres voerde aan dat de brief van de GGZ-psychiater van eind oktober 2019 onvoldoende herkenbaar was meegenomen in de beoordeling. De rechtbank stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zich slechts op de eerdere primaire beoordeling had gebaseerd en de psychiatrische informatie niet inhoudelijk had meegewogen.
Hierdoor was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank gaf verweerder de gelegenheid om het gebrek te herstellen door het besluit opnieuw te motiveren met herkenbare verwerking van de psychiatrische informatie. De verdere beslissing werd aangehouden tot de einduitspraak.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek binnen zes weken te herstellen.