De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 31 maart 2021 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van gewoontewitwassen met betrekking tot een woning en een hypothecaire lening. De tenlastelegging betrof de periode van 2004 tot 2015, waarbij verdachte zou hebben geweten dat de gelden afkomstig waren van misdrijf.
De verdediging voerde aan dat verdachte niet wist dat zijn broer, de 'ultimate beneficial owner' van het bedrijf dat de lening verstrekte, betrokken was bij beleggingsfraude en dat het geld uit misdrijf afkomstig was. De rechtbank concludeerde dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geleende bedrag van misdrijf afkomstig was.
De rechtbank verwierp ook de bezwaren tegen de geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het enkele feit dat verdachte een hypotheek onder gunstigere voorwaarden had afgesloten bij het bedrijf van zijn broer was onvoldoende om schuldwitwassen aan te tonen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlasteleggingen en gelastte de teruggave van het in beslag genomen onroerend goed. De zaak benadrukt het belang van bewijs van wetenschap of vermoeden bij witwaszaken.