Opposante heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 5 maart 2020, waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het griffierecht niet volledig was betaald. De rechtbank beoordeelt in dit verzet uitsluitend of de eerdere beslissing om zonder zitting te beslissen terecht was, niet de inhoud van het beroep zelf.
Opposante stelde dat sprake was van een invoer- of typefout waardoor slechts een deel van het griffierecht werd voldaan en dat de rechtbank haar gemachtigde had moeten wijzen op de onvolledige betaling en herstelmogelijkheden. Tevens voerde zij betalingsonmacht aan en betwistte zij de tenaamstelling en adressering van de griffierechtnota.
De rechtbank oordeelt dat de griffierechtnota correct was gericht aan de gemachtigde en dat de deelbetaling aan het einde van de gestelde termijn is ontvangen, waardoor het beroep terecht niet-ontvankelijk werd verklaard. Betalingsonmacht werd pas in het verzet aangevoerd en kon daarom niet tot een andere beslissing leiden. Ook de overige bezwaren, zoals het ontbreken van een splitsingsbrief en onduidelijkheden over terugbetaling, leiden niet tot gegrondverklaring van het verzet.
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en handhaaft de niet-ontvankelijkverklaring. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt niet behandeld omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.