ECLI:NL:RBMNE:2021:1471

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2021
Publicatiedatum
13 april 2021
Zaaknummer
20/3541-V
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 236 lid 2 GemeentewetArt. 8:54 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens te vroeg ingediend bezwaar tegen WOZ en rioolheffing ongegrond verklaard

Opposanten hebben verzet ingesteld tegen de uitspraak van 2 december 2020 waarin hun beroep niet-ontvankelijk werd verklaard omdat het te vroeg was ingediend. Het beroep betrof bezwaren tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen rioolheffing voor de jaren 2017 tot en met 2019 van de gemeente Almere.

De rechtbank moest beoordelen of de eerdere beslissing om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren zonder zitting te houden terecht was, waarbij zij alleen toetste of er twijfel over de uitkomst bestond. Opposanten stelden dat de normale beslistermijn van zes weken uit de Awb van toepassing was in plaats van de verlengde termijn uit artikel 236 lid 2 van Pro de Gemeentewet.

De rechtbank oordeelde dat de verlengde beslistermijn onverkort van toepassing is op bezwaren tegen WOZ-beschikkingen en gemeentelijke belastingen, tenzij het bezwaar in de laatste zes weken van het kalenderjaar is ingediend, wat hier niet het geval was. De bezwaren waren op 6 april 2020 ontvangen, waardoor de heffingsambtenaar tot het einde van dat jaar had om te beslissen. Het beroep was dus te vroeg ingediend.

Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en handhaafde zij de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens te vroeg ingediend bezwaar is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/3541-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2021 op het verzet van

[opposant 1], te [woonplaats 1], en

[opposant 2],te [woonplaats 2], opposanten,
(gemachtigde: A. Stokhof).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposanten hebben ingediend tegen het niet op tijd beslissen door de heffingsambtenaar van de gemeente Almere (hierna: de heffingsambtenaar) op de ingediende bezwaarschriften.
In de uitspraak van 2 december 2020 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposanten zijn tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Opposanten hebben niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 december 2020 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te vroeg is ingediend. Op grond van artikel 236, lid 2 van de Gemeentewet was de termijn om te beslissen op de bezwaren die zien op de WOZ-beschikkingen en de aanslagen rioolheffing voor de jaren 2017 tot en met 2019 nog niet verstreken. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposanten gelijk hebben met het beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2020 niet juist was.
3. Volgens opposanten is de uitspraak van de rechtbank van 2 december 2020 niet juist omdat – kort gezegd – artikel 236, lid 2 van de Gemeentewet niet van toepassing is. In hun geval zou de normale beslistermijn van 6 weken moeten gelden. Volgens opposanten heeft de wetgever met artikel 236, lid 2 van de Gemeentewet destijds bewust gekozen voor een beslistermijn die afwijkt van de termijn die is neergelegd in de Awb, om zo rekening te houden met de piekbelasting van lagere overheden en de afdoening van bezwaarschriften over het kalenderjaar uit te smeren. Omdat de aanslagen zijn opgelegd met als dagtekening 31 december 2019 is het argument van de piekbelasting niet aan de orde. De verlengde beslistermijn geldt ook niet voor alle bezwaarschriften. Bezwaarschriften die in de laatste zes weken van een kalenderjaar worden ingediend dienen ook binnen zes weken behandeld te worden. In dit geval betreft het aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2019, terwijl voor die jaren al onherroepelijk vaststaande aanslagen waren opgelegd. Het zijn dus geen reguliere aanslagen als bedoeld in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet. Daarom moet hier logischerwijs de normale beslistermijn van zes weken op van toepassing zijn.
4. De rechtbank is het niet eens met opposanten en legt dat hierna uit. De beslistermijn, zoals neergelegd in artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet is onverkort van toepassing. Deze beslistermijn geldt immers voor bezwaarschriften, gericht tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen van gemeentelijke belastingen. Anders dan opposanten stellen, biedt de wet geen ruimte om in dit geval een andere beslistermijn te hanteren. Uitsluitend voor een bezwaarschrift dat is ingediend in de laatste zes weken van een kalenderjaar geldt de beslistermijn van artikel 7:10 van Pro de Awb. Hiervan is geen sprake. De bezwaren tegen de WOZ-beschikkingen en de aanslagen rioolheffing zijn op 6 april 2020 door de heffingsambtenaar ontvangen. Dit betekent dat de heffingsambtenaar tot het einde van dat kalenderjaar de tijd heeft om een uitspraak te doen op de bezwaren. Het beroep was dan ook te vroeg ingediend.
5. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van
2 december 2020 in stand blijft.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M.H. van Ek, rechter, in aanwezigheid van
P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is uitgesproken op 11 februari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.