De zaak betreft een beroep van de rechtsopvolger van een werkgever tegen besluiten van het UWV over Ziektewet- en WIA-uitkeringen aan een werkneemster. De werkneemster kreeg een ZW-uitkering toegekend vanaf 4 juli 2013, die later werd beëindigd. De rechtsopvolger voerde onder meer aan dat bij overgang van onderneming de werkneemster geen recht had op een ZW-uitkering, en betwistte de medische en arbeidskundige gronden voor de uitkering.
De rechtbank oordeelt dat er bestuursrechtelijk sprake is van overgang van onderneming, maar niet civielrechtelijk, zodat de werkneemster als vangnetter recht heeft op de ZW-uitkering. De medische en arbeidskundige gronden van de rechtsopvolger slagen niet, omdat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige voldoende onderbouwd hebben dat de werkneemster arbeidsongeschikt was en beperkingen had.
De rechtbank vernietigt de beslissingen op bezwaar wegens een motiveringsgebrek van het UWV over de overgang van onderneming, maar laat de rechtsgevolgen van die beslissingen in stand omdat de medische en arbeidskundige beroepsgronden niet slagen. De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.