De curator in het faillissement van een installatiebedrijf vordert terugbetaling van ruim €87.000 aan betalingen die de advocaat van de gefailleerde vennootschap voorafgaand aan het faillissement heeft ontvangen. De curator stelt dat een deel van deze betalingen onverschuldigd was, omdat er geen werkzaamheden tegenover stonden, en dat een ander deel onrechtmatig is ontvangen vanwege selectieve betaling vlak voor het faillissement.
De rechtbank oordeelt dat de curator niet te laat is met zijn vordering, ondanks het overlijden van de advocaat die het verweer bemoeilijkte. Betalingen zonder onderliggende facturen worden als onverschuldigd aangemerkt en moeten worden terugbetaald. Daarnaast is vastgesteld dat vanaf 9 juli 2015, toen duidelijk werd dat het faillissement onvermijdelijk was, de betalingen aan de advocaat selectief en onrechtmatig waren omdat zij voorrang kregen boven andere schuldeisers.
De advocaat had een vertrouwenspositie en heeft misbruik gemaakt van deze positie door de openstaande facturen te laten betalen terwijl het faillissement aanstaande was. De rechtbank stelt de schade vast op €75.933,13, bestaande uit onverschuldigde betalingen en onrechtmatige betalingen minus toegestane betalingen voor werkzaamheden na 9 juli 2015. Tevens wordt wettelijke rente en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.