Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
17 februari 2021. Op laatstgenoemde datum vond de inhoudelijke behandeling van de strafzaak plaats. Het onderzoek van de zaak is gesloten op de zitting van 24 maart 2021.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het medeplegen van het bezit en de handel in cocaïne, deelname aan een criminele organisatie en witwassen van een geldbedrag van €188.010,-. De tenlastelegging betrof drie feiten die zich afspeelden tussen november 2018 en juli 2019 in diverse Nederlandse steden.
Tijdens de terechtzittingen, waarvan de inhoudelijke behandeling plaatsvond op 17 februari 2021, werd vastgesteld dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond om de betrokkenheid van verdachte bij de cocaïnehandel aan te tonen. Ook kon niet bewezen worden dat verdachte deelnam aan de criminele organisatie die zich bezighield met drugshandel. Ten aanzien van het witwassen kon niet worden vastgesteld dat verdachte wist van de herkomst van het geldbedrag of daarover beschikte.
De rechtbank volgde de vordering van de officier van justitie en de verdediging en sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. De vrijspraak werd gemotiveerd door het ontbreken van concrete aanwijzingen in het strafdossier die de betrokkenheid van verdachte konden onderbouwen. Dit vonnis werd uitgesproken op 1 april 2021 door een meervoudige kamer.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende bewijs.