Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
€ 188.010,- aangetroffen, verstopt in het plafond. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in verdovende middelen gepaard gaat met grote hoeveelheden contant geld. Tot slot heeft de rechtbank bij haar oordeelsvorming betrokken dat verdachte geen verklaring heeft willen afleggen over de inhoud van tapgesprekken, terwijl het in de gesprekken gebezigde taalgebruik vraagt om een uitleg. Dat verdachte desondanks ervoor kiest te zwijgen, kan naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad meewegen voor de overtuiging op grond van het bewijs.
Medeplegen handel in cocaïneleidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] en verdachte de woningen aan de [adres] , [adres] en [adres] te [woonplaats] tot hun beschikking hadden. [medeverdachte 2] verbleef op de [adres] te [woonplaats] . Dit zijn woningen waar cocaïne is aangetroffen, evenals goederen die gebruikt worden bij het verwerkingsproces van cocaïne. Op de [adres] is bovendien een groot geldbedrag aangetroffen. Uit de verschillende tapgesprekken, in samenhang bezien met de aangetroffen goederen, leidt de rechtbank af dat in die woningen cocaïne werd bewerkt, onder andere door [medeverdachte 2] en verdachte, en vanuit daar werd verkocht en geleverd. Waarom de rechtbank tot het oordeel komt dat het in de als bewijsmiddel opgenomen tapgesprekken gaat om cocaïne, is onder
Medeplegen handel in cocaïneuiteengezet. Uit de tapgesprekken blijkt voorts dat [medeverdachte 1] de persoon is die de opdrachten geeft. Verdachte en [medeverdachte 2] voerden veelal de opdrachten uit en hielden in opdracht van [medeverdachte 1] een kasboek bij van de handel in cocaïne en de daarbij horende geldstromen. Dit kasboek werd bijgehouden in de notitieblokken die zijn aangetroffen op de [adres] . Daarnaast blijkt uit verschillende tapgesprekken dat [medeverdachte 1] contacten heeft met personen die hem vragen of hij cocaïne beschikbaar heeft. Op het moment dat [medeverdachte 1] cocaïne beschikbaar heeft, wordt onder andere verdachte gevraagd om de cocaïne af te leveren. Ook wordt verdachte door [medeverdachte 1] gevraagd hoeveel cocaïne er nog is, en of hij die heeft getest, en krijgt hij de opdracht van [medeverdachte 1] om er drie te laten drogen. Voorts wordt er door [medeverdachte 1] , verdachte en [medeverdachte 2] gesproken over geldbedragen en wanneer en waar die zijn opgehaald, onder meer door verdachte en [medeverdachte 2] . Dit betreffen geldbedragen die terugkomen in het kasboek in de aangetroffen notitieblokken, waarin veelvuldig in de kolom ‘Koopwaar’ het woord ‘SKY’ staat geschreven. Zoals onder
Medeplegen handel in cocaïneen
Buiten Nederlands grondgebied brengen cocaïneis uiteengezet, gaat de rechtbank ervan uit dat ‘SKY’ cocaïne betreft.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
- 14a, 14b, 14c, 47, 57, 140 en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en
- 2 en 10 van de Opiumwet,
10.BESLISSING
gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;