De zaak betreft een geschil tussen vader en zoon over de afrekening van hun samenwerking in de periode van 1 maart tot en met oktober 2018. De rechtbank oordeelt dat de samenwerking juridisch moet worden gekwalificeerd als een vennootschap onder firma (vof), gelet op de gezamenlijke arbeid, het gemeenschappelijk voordeel, de zeggenschap en het gebruik van een gemeenschappelijke naam.
Partijen hadden geen schriftelijke overeenkomst over de winstverdeling, waarbij de zoon stelde dat de winst merendeels aan hem toekwam en de vader slechts een vast loon zou ontvangen. De rechtbank acht deze afwijkende afspraak niet aannemelijk, mede op basis van een gesprek dat partijen voerden en de wijze van administratie, en concludeert dat de winst gelijkelijk verdeeld moet worden.
De rechtbank stelt vast dat het vof-vermogen uitsluitend bestaat uit het resultaat van de gezamenlijke arbeid, en niet uit het samengevoegde vermogen van de eenmanszaken. Er is onduidelijkheid over de herkomst van een bedrag van €27.019 dat door de zoon is betaald, waarvoor nadere toelichting en bewijsstukken worden verlangd. Afhankelijk van de uitkomst hiervan zal de rechtbank bepalen of de vader nog een vordering op de zoon heeft of niet.
De beslissing tot verdere afwikkeling wordt aangehouden, waarbij de zoon een nadere akte moet indienen en de vader daarop moet reageren. De rechtbank wijst de vorderingen niet toe of af in dit vonnis, maar stelt de zaak aan voor nader onderzoek en afhandeling.