ECLI:NL:RBMNE:2021:1636

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 april 2021
Publicatiedatum
22 april 2021
Zaaknummer
UTR 20/2700
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek tegen gebruik voortuinen als parkeerplek wegens ontbreken overtreding bestemmingsplan en APV

De zaak betreft een verzoek van eiser aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen om handhavend op te treden tegen het gebruik van voortuinen als parkeerplek. Eiser stelde dat het gebruik in strijd was met de koopakte, het bestemmingsplan en de Algemene plaatselijke verordening (APV).

De rechtbank oordeelt dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden op basis van de privaatrechtelijke koopakte, omdat bestuursrechtelijke handhaving alleen mogelijk is bij overtreding van publiekrechtelijke regels. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de aangebrachte verhardingen in de voortuinen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan, aangezien verhardingen binnen de bestemming woondoeleinden zijn toegestaan.

Ook is volgens de rechtbank geen sprake van een uitweg zoals bedoeld in de APV en de Beleidsregels uitwegen, omdat er geen in-/uitritconstructie is die de percelen ontsluit op de weg. Hierdoor is er geen overtreding van de APV en is handhaving niet mogelijk. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee de afwijzing van het handhavingsverzoek.

Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzen van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard omdat geen overtreding van publiekrechtelijke regels is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2700

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen(hierna: het college), verweerder
(gemachtigde: W.F. Goddijn).

Inleiding

De gemeente heeft in 2004 een aantal percelen (waaronder de [straat] ) in het Uitbreidingsplan [buurt] verkocht aan Bouwvereniging [bouwvereniging] . In de koopovereenkomst staat dat de strook grond zoals weergegeven op de aangehechte situatietekening, kort gezegd, moet worden gebruikt als tuin en dat in deze strook geen bouwwerken mogen worden opgericht of enige verharding, anders dan betegelde of bestrate voetgangers- en garagepaden mag worden aangebracht zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente. De situatietekening ziet onder andere op de percelen [straat] [huisnummers] .
Op 9 september 2019 heeft eiser het college laten weten dat er door de bewoners wordt geparkeerd in de voortuinen van de [straat] [huisnummers] en heeft hij het college verzocht om hiertegen handhavend op te treden op basis van de koopakte. Eiser heeft ook gewezen op de geldende Algemene plaatselijke verordening (APV) en de Beleidsregels uitwegen De Ronde Venen 2016 (hierna: Beleidsregels uitwegen), waarover hij het college op 28 november 2019 nog aanvullende informatie heeft verstrekt.
Op 29 november 2019 heeft er vanuit de gemeente een controle plaatsgevonden van de [straat] . In het daarvan opgemaakte rapport van 29 november 2019 blijkt uit de foto’s en de tekst dat er inderdaad verharding is aangebracht op sommige plekken.
Met het besluit van 3 december 2019 (primair besluit) heeft het college eisers verzoek om handhavend op te treden tegen het gebruik van de tuinen als parkeerplek afgewezen omdat er door het aanbrengen van de verhardingen geen overtreding van het bestemmingsplan en de APV plaatsvindt.
In zijn bezwaar tegen dit besluit heeft eiser erop gewezen dat de gemeente op basis van de koopakte moet optreden. Daaraan heeft hij toegevoegd dat de verharding volgens het bestemmingsplan wellicht wel mag op de bestemming groenvoorziening maar dat dit niet betekent dat het gebruik ten behoeve van auto’s is toegestaan. Volgens eiser is er ook sprake van uitwegen vanwege de aangebrachte parkeerconstructies.
Met het besluit van 9 juni 2020 (bestreden besluit) heeft het college eisers bezwaar gegrond verklaard. Het college heeft daarbij het primaire besluit herroepen en vervolgens beslist dat het handhavingsverzoek van 9 september 2019 opnieuw wordt afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De zaak is op 2 maart 2021 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, samen met
[naam] . Namens het college was zijn gemachtigde aanwezig.

Overwegingen

1. De rechtbank moet in deze zaak de vraag beantwoorden of het college het verzoek van
eiser om handhavend op te treden tegen de verhardingen heeft mogen afwijzen. De rechtbank zal daarvoor eerst ingaan op de koopakte en vervolgens op het bestemmingsplan en de APV.
Handhaving op basis van de koopakte niet mogelijk
2. De vraag of het college handhavend had moeten optreden vanwege de koopakte
beantwoordt de rechtbank ontkennend. Daarbij laat de rechtbank in het midden of de contractuele verplichting om geen verharding aan te brengen in de voortuinen daadwerkelijk bestaat. Want ook al zou een dergelijke verplichting bestaan, dan nog mag het college niet handhavend optreden op basis van de koopakte. Artikel 125 van Pro de Gemeentewet bepaalt namelijk dat het college alleen bestuursdwang [1] kan toepassen als sprake is van overtreding van een publiekrechtelijke regel. Publiekrechtelijke regels zijn regels waarvan de uitvoering aan het bestuur is opgedragen, bijvoorbeeld van wetten, algemene maatregelen van bestuur en gemeentelijke verordeningen. De koopakte waar eiser naar verwijst, is privaatrechtelijk van aard. Het college kan naleving daarvan dus niet afdwingen door middel van bestuursrechtelijke handhaving. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen overtreding van het bestemmingsplan
3. De rechtbank is van oordeel dat de verhardingen in de voortuin niet in strijd zijn met de
regels van de beheersverordening [woonplaats] in combinatie met het bestemmingsplan [buurt] . De voortuinen liggen in besluitvlak 2 en hebben de bestemming woondoeleinden 1 met in artikel 3 de Pro daarbij behorende regels. Op deze bestemming mogen verhardingen worden aangebracht. Tijdens de zitting heeft eiser dit ook erkend. Dit betekent dat er geen overtreding is en het college dus niet bevoegd is om handhavend op te treden. De beroepsgrond slaagt niet.
Geen overtreding van de APV en de Beleidsregels uitwegen
4. De eerste vraag die de rechtbank hier moet beantwoorden is of sprake is van een uitweg.
De rechtbank vindt van niet en zal uitleggen waarom zij dat vindt. De rechtbank stelt vast dat in de APV geen definitie is opgenomen van wat onder een uitweg moet worden verstaan. In artikel 1 van Pro de Beleidsregels uitwegen wordt een uitweg omschreven als de plek waar een perceel door een in-/uitritconstructie op de weg wordt ontsloten. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de adressen [straat] [huisnummers] geen sprake van zo’n uitweg. Op de foto’s die bij de controlerapporten horen en ook op de door eiser gemaakte foto’s is duidelijk te zien dat de trottoirbanden vóór de voortuinen van de adressen doorlopen en dat er richting de weg ook geen andere constructies zijn aangebracht om de percelen op de weg te ontsluiten. Dat de lage trottoirband het makkelijk maakt de voortuin als parkeerplaats te gebruiken ziet ook de rechtbank, maar dat maakt nog niet dat daarmee sprake is van een uitweg waarvoor op grond van de APV en/of de Beleidsregels een vergunning nodig is. Er wordt immers niks gemaakt of aangelegd om de verharding te ontsluiten op de weg. Eiser heeft ook nog gewezen op de Paraplubeheersverordening Parkeren maar deze speelt alleen een rol als een omgevingsvergunning voor bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik wordt verleend. Daarvan is hier geen sprake. Ook voor het onderdeel APV en de Beleidsregels uitwegen geldt dus dat geen sprake is van een overtreding en dat het college niet bevoegd is tot handhavend optreden. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie
5. De rechtbank komt tot de conclusie dat geen sprake is van een overtreding van een
publiekrechtelijke regel. Dat betekent dast het college niet bevoegd is tot handhavend optreden en het verzoek van eiser terecht heeft afgewezen.
6. Het beroep is ongegrond en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier. De beslissing is uitgesproken op 15 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Dit is handhavend optreden.