AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking beroep Participatiewet
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de gemeente Utrecht waarbij zijn aanvraag voor bijstand krachtens de Participatiewet werd afgewezen. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar heeft verzoeker het beroep ingetrokken en verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft de gemeente in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om proceskostenvergoeding. De gemeente heeft aangegeven geen tegemoetkoming te hebben verleend zoals bedoeld in artikel 8:75 lid 1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank oordeelt dat aangezien de gemeente het bestreden besluit niet heeft gewijzigd of ingetrokken en niet is teruggekomen op haar beslissing, er geen grond is voor toewijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding. Het verzoek wordt dan ook als kennelijk ongegrond afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van de proceskosten wordt afgewezen omdat de gemeente niet is teruggekomen op het bestreden besluit.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5554
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. I. van Medenbach de Rooij),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
Procesverloop
In het besluit van 28 juni 2019 (primair besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiser om hem per 1 februari 2019 bijstand krachtens de Participatiewet toe te kennen, afgewezen en hem bijstand toegekend per 29 april 2019 .
In het besluit van 19 november 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 28 december 2020 heeft verzoeker het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 5 januari 2021 meegedeeld dat er geen sprake is van tegemoetkoming aan verzoeker als bedoeld in artikel 8:75 lid 1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat er daarom geen aanleiding is om een proceskostenveroordeling toe te kennen.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder niet tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
4. In de brief van 29 december 2020 heeft verzoeker vermeld dat een andere procedure (tegen het UWV) inmiddels ertoe heeft geleid dat verzoeker met ingang van 30 januari 2019 een WW-uitkering krijgt. Door de toekenning van de WW-uitkering is er geen belang meer bij de huidige procedure tegen de gemeente, aldus verzoeker.
5. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiser was gericht tegen de beslissing op bezwaar van 19 november 2019. Verweerder is niet teruggekomen op deze beslissing. Ook is deze beslissing niet ingetrokken of gewijzigd. Hieruit volgt dat verweerder niet aan eiser tegemoet is gekomen en dat de in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb bedoelde situatie zich niet voordoet.
6. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 22 januari 2021.
De griffier is niet in de gelegenheid
rechter
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
en zal worden bekend gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.