Eiseres diende op 15 mei 2020 een aanvraag in bij verweerder, de gemeente Lelystad, zonder een ondertekende machtiging. Verweerder stelde dat de aanvraag incompleet was en vroeg pas na het verstrijken van de beslistermijn om een ondertekende machtiging, waarna zij op 10 augustus 2020 een beslissing nam. Eiseres stelde dat de beslistermijn op 15 mei 2020 begon te lopen en dat verweerder te laat was met beslissen, waardoor een dwangsom verschuldigd is.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een ondertekende machtiging niet automatisch de beslistermijn opschort, omdat een geldige machtiging geen absolute voorwaarde is voor het starten van de beslistermijn. Verweerder had de machtiging pas opgevraagd nadat de termijn was verstreken, waardoor de beslistermijn niet kon worden opgeschort. De ingebrekestelling van eiseres was geldig en de termijn van twee weken voor verweerder om te beslissen begon te lopen op het moment dat de machtiging was overgelegd.
De rechtbank stelde vast dat verweerder te laat was met het nemen van een besluit en legde een dwangsom van €322,- op voor de periode van 28 juli tot en met 12 augustus 2020. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten en het griffierecht aan eiseres. Het beroep werd kennelijk gegrond verklaard.