De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van een woning vastgesteld op €322.000,- voor het belastingjaar 2020, met waardepeildatum 1 januari 2019. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €235.000,- voor. Na een bezwaarprocedure die ongegrond werd verklaard, is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het geschil zonder zitting behandeld en beoordeelt of de vastgestelde waarde te hoog is. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd waarin de waarde is bepaald door vergelijking met referentiewoningen van hetzelfde type, bouwjaar en wijk, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en staat van onderhoud.
Eiser voert aan dat de woning gedateerd is en in een mindere staat van onderhoud verkeert dan de referentiewoningen, die pas in 2020 gemoderniseerd is. Verweerder heeft dit weersproken met verkoopinformatie uit 2011 waarin de woning als netjes onderhouden wordt beschreven. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met deze aspecten.
Daarnaast stelt eiser dat een dakkapel ten onrechte was meegenomen in de waardebepaling, maar de rechtbank toetst de totale waarde en vindt dat deze met de taxatiematrix aannemelijk is gemaakt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op.