In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, gelegen in een voormalig kantoorpand, vastgesteld op € 633.000,- voor het belastingjaar 2020. Eiser stelde een lagere waarde van € 470.000,- voor, onderbouwd met een eigen taxatiematrix en de aankoopprijs uit 2016. Verweerder handhaafde de waarde en overlegde een eigen taxatiematrix ter onderbouwing.
De rechtbank heeft de zaak zonder zitting behandeld en oordeelde dat de door verweerder overgelegde taxatiematrix voldoende aannemelijk maakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De methode van vergelijking met referentiewoningen binnen hetzelfde complex en nabijgelegen complex is adequaat toegepast, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte en ligging.
De door eiser aangevoerde argumenten, waaronder de aankoopprijs uit 2016 en een hogere prijs per m2 gebaseerd op WOZ-waardes, werden verworpen vanwege onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van recente marktgegevens. Ook de door eiser aangevoerde referentiewoning aan de andere kant van de straat werd door de rechtbank niet als vergelijkbaar beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 19 april 2021.