ECLI:NL:RBMNE:2021:1670

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
23 april 2021
Zaaknummer
UTR 20/4719
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 GemeentewetArt. 4 Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 gemeente Utrecht
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht opgelegd ondanks gehandicaptenparkeerkaart niet zichtbaar

Verweerder legde aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting op wegens het parkeren van een voertuig zonder zichtbare gehandicaptenparkeerkaart op een gefiscaliseerde parkeerplaats in Utrecht. Eiseres voerde aan dat zij een gehandicaptenparkeerkaart bezat, maar niet wist dat deze zichtbaar achter de voorruit moest worden geplaatst, omdat dit in haar woonplaats en Rotterdam anders is geregeld.

De rechtbank overwoog dat het niet ter discussie stond dat het voertuig zonder een geldig parkeerbewijs stond geparkeerd en dat de gehandicaptenparkeerkaart niet zichtbaar achter de voorruit lag. De rechtbank benadrukte dat bestuurders zich moeten informeren over de lokale parkeerregels en wees op de instructies op de gehandicaptenparkeerkaart zelf, die voorschrijven dat deze duidelijk zichtbaar aan de voorzijde van het voertuig moet worden aangebracht.

Gelet hierop oordeelde de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en verklaarde het beroep van eiseres ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4719

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht,verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres op 26 mei 2020 om 16:27 uur een naheffingsaanslag
parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] (de naheffingsaanslag) opgelegd ten
bedrage van € 67,53, wegens het parkeren met een auto, merk [merk]
kenteken [kenteken], op een zogenaamde gefiscaliseerde parkeerplaats, zonder dat de
verschuldigde parkeerbelasting was voldaan.
Bij uitspraak van 17 november 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben er schriftelijk mee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 19 april 2021

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De auto stond op 26 mei 2020 om 16:27 uur geparkeerd aan het Reykjavikplein te Utrecht zonder geldige parkeervergunning of een geldig parkeerkaartje zichtbaar achter de voorruit.
2. Eiseres voert aan dat zij beschikt over een gehandicaptenparkeerkaart. Zij wist niet dat deze zichtbaar achter de voorruit moest liggen. In haar woonplaats [woonplaats] en in Rotterdam geldt deze eis niet.
3. Verweerder voert aan dat van een bestuurder van een voertuig wordt verwacht zich vooraf en ter plaatse te informeren omtrent de geldende regels
4. In artikel 225, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet is bepaald dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. In dit geval is dit geregeld in de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2020 van de gemeente Utrecht (de verordening). Artikel 4 van Pro deze verordening luidt als volgt:
Artikel 4 Vrijstelling Pro
De belasting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, voor het parkeren van een voertuig op een parkeerapparatuurplaats wordt niet geheven van een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart.
De vrijstelling is uitsluitend van toepassing indien de gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in het eerste lid met de daartoe bestemde zijde op een van buitenaf duidelijk zichtbare en leesbare plaats direct achter de voorruit van het voertuig is geplaatst.”
5. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig stond geparkeerd op een plaats, waar op grond van de verordening parkeergeld was verschuldigd. Ook is niet in geschil dat de gehandicaptenparkeerkaart niet achter de voorruit was geplaatst.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht de naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. De rechtbank heeft begrip voor de verwarring die bij eiseres kennelijk is ontstaan doordat het gebruik van een gehandicaptenkaart niet in alle gemeentes op dezelfde wijze is geregeld. Maar dat neemt niet weg dat zij zich moet informeren over de ter plaatse geldende regels. In dat verband wijst de rechtbank nog op de tekst op de door eiseres overgelegde gehandicaptenparkeerkaart die luidt: “ Zij moet bij gebruik aan de voorzijde van het voertuig op zodanige wijze worden aangebracht dat haar voorzijde duidelijk zichtbaar is voor controle.”
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.M.J.H. Muijlaert, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.