Overwegingen over het besluit van de minister
Verschillende rechtspersonen
12. Het besluit van 26 maart 2021 is gericht aan Stamcelbank Nederland B.V., de houder van de erkenning. Volgens Stamcelbank Nederland staat de erkenning echter op naam van de verkeerde rechtspersoon, en is Stichting Administratiekantoor Stamcelbank Nederland juist opgericht omdat orgaanbanken geen winstoogmerk mogen hebben. Om die reden hebben ook de andere verzoekende partijen bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de erkenning en is het verzoek om voorlopige voorziening ook namens hen ingediend.
13. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister zich in de bezwaarfase zal moeten buigen over de vraag of alle drie de rechtspersonen als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Voor deze spoedprocedure is het niet nodig om daarop vooruit te lopen, omdat Stamcelbank Nederland B.V. in ieder geval belanghebbende is. Aan haar is immers het bestreden besluit gericht. De voorzieningenrechter gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
14. Stamcelbank Nederland voert aan dat zij onvoldoende de gelegenheid heeft gehad om zich te verweren tegen wat de Inspectie heeft geconstateerd. De gevolgen van de daarop gebaseerde intrekking van de erkenning zijn vergaand, zonder dat over de bevindingen een inhoudelijk wetenschappelijk debat heeft kunnen plaatsvinden. Die mogelijkheid had de minister haar wel moeten geven voordat tot intrekking van de erkenning zou zijn overgegaan. Stamcelbank Nederland wijst erop dat zij het voornemen heeft om een deskundige in te schakelen om haar standpunten verder te onderbouwen. Zij vindt dat de minister onmiskenbaar heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor.
15. De voorzieningenrechter volgt Stamcelbank Nederland hierin niet. Hij stelt voorop dat voor een intrekking van een erkenning als orgaanbank geen bijzondere procedure geldt, zodat wordt teruggevallen op de bepalingen die op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelden voor het nemen van besluiten. De hoofdregel daarbij is dat iemand de gelegenheid krijgt om een zienswijze naar voren te brengen, als een beschikking wordt genomen over feiten en belangen van een partij, terwijl niet om dat besluit is verzocht en het de verwachting is dat diegene daartegen bedenkingen zal hebben.Hieraan is voldaan toen de minister Stamcelbank Nederland op 26 februari 2021 in de gelegenheid stelde een zienswijze in te dienen. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat de minister zich voldoende heeft geïnformeerd over de relevante feiten en de af te wegen belangen waarop zij haar besluit heeft gebaseerd.Tussen het toezichtsbezoek op 22 september 2020 en het besluit van 26 maart 2021 is er contact over en weer geweest, waarbij Stamcelbank Nederland heeft gereageerd op het concept van het inspectierapport, de genoemde zienswijze heeft ingediend en een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden. Het besluit om de erkenning in te trekken is dus niet zomaar genomen. Dat de minister hierbij onzorgvuldig heeft gehandeld blijkt niet uit deze gang van zaken.
16. Het beginsel van hoor en wederhoor als onderdeel van het recht op een eerlijk procesis niet rechtstreeks van toepassing op de bestuurlijke besluitvorming door de minister. Pas in een procedure bij de bestuursrechter komt dat in beeld, waarbij de minister er terecht op wijst dat Stamcelbank Nederland de weg naar de voorzieningenrechter in deze zaak heeft gevonden. Stamcelbank Nederland wil dat de intrekking van de erkenning niet eerder ingaat dan nadat in de bezwaarfase een uitgebreider debat heeft plaatsgevonden, maar de systematiek van de Awb bepaalt dat besluiten na het maken van bezwaar in beginsel blijven gelden. Of daarvan in dit geval moet worden afgeweken wordt in deze procedure over een voorlopige voorziening beoordeeld. Maar de gang van zaken rondom de besluitvorming van de minister is in het licht van het voorgaande als zodanig geen reden om de intrekking van de erkenning niet te laten ingaan, of om de schorsing van die intrekking te handhaven.
De regelgeving over erkenningen voor weefselinstellingen
17. Voor het in ontvangst nemen na het verkrijgen, voor het bewerken, het bewaren en het distribueren is een erkenning van de minister nodig.De wet maakt geen onderscheid tussen verschillende soorten weefselinstellingen: iedere instantie waar dergelijke werkzaamheden worden uitgevoerd heeft als orgaanbank een erkenning nodig.
18. Stamcelbank Nederland vindt het niet terecht dat voor haar op deze manier de strenge voorschriften gelden die volgens haar zijn bedoeld voor transplantatie van lichaamsmateriaal van de ene naar de andere persoon (allogene toepassing), terwijl het lichaamsmateriaal dat zij opslaat altijd wordt gebruikt voor de behandeling van de persoon van wie het afkomstig is (autologe toepassing). De wetgever heeft echter voor ogen gehad dat bewerkingstechnieken voor lichaamsmaterialen die bestemd zijn voor autoloog gebruik aan dezelfde eisen moeten voldoen als die voor allogeen gebruik, omdat de risico’s als gevolg van het toepassen van bepaalde bewerkingstechnieken dezelfde zijn ongeacht de herkomst van het lichaamsmateriaal. Dat blijkt uit de wetsgeschiedenis.De wetgever heeft hierover dus een bewuste afweging gemaakt en de procedure bij de voorzieningenrechter is niet de juiste plaats om hierover de discussie te voeren. Op de zitting heeft Stamcelbank Nederland na vragen hierover ook bevestigd dat de wettelijke bepalingen op zichzelf duidelijk zijn over het vereiste van een erkenning. De voorzieningenrechter gaat dus uit van de noodzaak voor Stamcelbank Nederland van het hebben van een erkenning voor haar dienstverlening.
19. Om een erkenning te kunnen verkrijgen moet worden voldaan aan een lijst met Europese voorschriftendie in de Nederlandse regelgeving van toepassing zijn verklaard.Deze voorschriften gaan over organisatie en management, over personeel, over apparatuur en materiaal, over gebouwen en voorzieningen, over documentatie en verslaglegging en over kwaliteitscontrole van de orgaanbank. De minister kan een erkenning intrekken als niet meer aan deze Europese voorschriften of aan de aan de erkenning verbonden voorschriften wordt voldaan, of als wordt gehandeld in strijd met een beperking waaronder de erkenning is verleend.
Geen rechtmatigheidsoordeel over de feiten
20. Zoals gezegd is aan de erkenning van Stamcelbank Nederland de beperking verbonden dat stamcellen uit navelstrengbloed dat is verkregen vóór april 2014 niet mogen worden gedistribueerd. Het is de voorzieningenrechter duidelijk dat in 2017 eenmaal in strijd met deze beperking is gehandeld. Vast staat dat Stamcelbank Nederland toen met het oog op een behandeling in de Verenigde Staten stamcellen aan een koerier heeft afgegeven, die in 2008 waren opgeslagen. Dat is distribueren in de zin van de wet.Stamcelbank Nederland heeft erop gewezen dat dit een heel bijzondere situatie betrof, waarover zij alleen nadere informatie wil geven als de voorzieningenrechter daarom verzoekt en onder de beperking dat alleen hij daarvan kennis neemt. De voorzieningenrechter doet zo’n verzoek niet, omdat wat in 2017 is gebeurd voor de minister niet doorslaggevend is voor haar besluitvorming. Namens de minister is op de zitting namelijk toegelicht dat deze gebeurtenis wel heeft meegewogen in haar besluitvorming, maar op zichzelf beschouwd niet tot intrekking van de erkenning zou hebben geleid. In het licht daarvan strekt het te ver hierop in deze spoedprocedure nu dieper in te gaan. Stamcelbank Nederland kan, als zij dat wil, in de bezwaarprocedure aan de minister meer informatie geven hierover om duiding te geven aan deze overtreding.
21. De intrekking van de erkenning is verder gebaseerd op de tekortkomingen die in het inspectierapport zijn geconstateerd. Dit is een uitgebreide lijst met tekortkomingen op vrijwel alle onderdelen van de in overweging 19 genoemde Europese voorschriften. Het debat tussen partijen gaat onder meer over de vraag of alle eisen wel van toepassing zijn. Daarnaast is er een specifiek verschil van inzicht over de vraag welke normering geldt voor de luchtkwaliteit in de ruimte waar het navelstrengbloed wordt bewerkt en of aan die normering wordt voldaan. Deze geschilpunten zijn voor een belangrijk deel van technische aard. Een oordeel daarover vereist dat dieper op die materie wordt ingegaan dan waarvoor in deze spoedprocedure tijd was. Stamcelbank Nederland wil bovendien een deskundige hierover laten rapporteren.
22. De voorzieningenrechter zal daarom geen oordeel geven over de vraag aan welke van de geldende Europese voorschriften Stamcelbank Nederland niet (meer) voldoet. Hij beperkt zich tot de vraag of het besluit van 26 maart 2021 op dit punt evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door de minister ingenomen standpunt juist is en of het besluit in stand zal blijven. De voorzieningenrechter oordeelt dat daarvan geen sprake is. De intrekking van de erkenning is gemotiveerd in het licht van het hiervoor aangehaalde wettelijke kader en is op een uitgebreid inspectierapport gebaseerd.
Beperkt rechtmatigheidsoordeel over de waardering van de feiten
23. In het inspectierapport worden vervolgens de verschillende tekortkomingen gewaardeerd. Die waardering maakt onderscheid tussen kritische, belangrijke en overige tekortkomingen en in het rapport wordt deze indeling gedefinieerd. Bij Stamcelbank Nederland zijn in alle drie deze soorten tekortkomingen geconstateerd. De minister heeft op de zitting toegelicht dat deze tekortkomingen in samenhang zijn bezien, waarbij ook het eenmalige handelen in strijd met de beperking is meegewogen. Het advies van de inspectie volgend heeft de minister op basis hiervan de erkenning ingetrokken. In het besluit daartoe is verder overwogen dat er in de afgelopen tien jaar meerdere inspecties zijn verricht en dat tijdens die bezoeken meerdere tekortkomingen zijn geconstateerd op het gebied van kwaliteit en veiligheid, die niet adequaat werden opgelost. Stamcelbank Nederland blijkt volgens de minister dan ook niet in staat te zijn om de kwaliteit en veiligheid van het bewaarde en bewerkte lichaamsmateriaal voldoende te waarborgen.
24.Stamcelbank Nederland heeft grote bezwaren tegen de duiding die de minister op deze manier geeft aan de constateringen uit het inspectierapport. Zij vindt dat het intrekken van de erkenning een veel te vergaand middel is dat nu wordt ingezet. Daarbij wijst zij erop dat de Inspectie verplicht is beleid te voeren over herinspecties na een negatieve uitkomst van een controle.Bij het opnemen van deze bepaling heeft de wetgever met een amendement juist voor ogen gehad dat instellingen de kans moeten krijgen om zich te verbeteren.
25.De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. Dat de minister ook voor een herinspectie op een later moment kan kiezen laat onverlet dat zij daarnaast bevoegd is om tot intrekking van de erkenning van een orgaanbank over te gaan. Bij het toepassen van deze bevoegdheid heeft de minister beleidsruimte. Zij kan ervoor kiezen om die bevoegdheid al dan niet te gebruiken. De voorzieningenrechter kan in het kader van zijn rechtmatigheidstoets beoordelen of de minister bij een afweging van alle betrokken belangen de intrekking van de erkenning naar verwachting in redelijkheid zal kunnen handhaven in de nog te nemen beslissing op bezwaar. Daarover is nu nog geen afgewogen oordeel te geven, omdat in het kader van deze belangenafweging vooral ook mee zal wegen welke tekortkomingen uiteindelijk zullen spelen. De uitkomst van de discussie over de feiten is dus van invloed op de vraag of het intrekken van de erkenning in redelijkheid het juiste middel is. Er is echter een aanzienlijke lijst met tekortkomingen vastgesteld in het inspectierapport, en in ieder geval een deel daarvan wordt door Stamcelbank Nederland erkend. In dat licht is de voorzieningenrechter van oordeel dat bij deze stand van zaken op voorhand niet kan worden gezegd dat de intrekking van de erkenning haar doel voorbij schiet. Van een evident onredelijk besluit is geen sprake.
26.Hierbij wordt wel aangetekend dat van de minister mag worden verwacht om bij haar besluitvorming beter te motiveren waarom bepaalde tekortkomingen belangrijk of kritisch zijn, en hoe dat zich verhoudt tot het inzetten van haar bevoegdheid om een erkenning van een orgaanbank in te trekken. Op de waardering van de tekortkomingen wordt in voetnoten van het inspectierapport ingegaan, maar voor zover de voorzieningenrechter heeft kunnen nagaan zijn die definities niet rechtstreeks aan regelgeving ontleend. Als dat zo is, dan is de vertaling van tekortkomingen naar de aard en ernst daarvan dus onderdeel van de belangenafweging die de minister maakt. Hierbij is van belang dat het intrekken van de erkenning een zwaar middel is. Het is weliswaar geen bestraffende sanctie, maar heeft wel zeer grote gevolgen voor de houder van de erkenning. Op de zitting is namens verweerder toegelicht dat niet bekend is dat eerder erkenningen van orgaanbanken zijn ingetrokken. Deze procedure is dus uitzonderlijk. Dat maakt dat in de motivering van de besluitvorming van de minister een grote mate van zorgvuldigheid verwacht mag worden, als het gaat om het omzetten van de bevindingen uit het inspectierapport naar de inzet van de aan haar toekomende bevoegdheden. In de bezwaarfase is op dit punt nog een slag te maken.