ECLI:NL:RBMNE:2021:1714

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 april 2021
Publicatiedatum
28 april 2021
Zaaknummer
UTR 20/4340
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7.3.2 bestemmingsplan Lombok e.o.Art. 7.4.1 planregels bestemmingsplan Lombok e.o.Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering omgevingsvergunning dakopbouw en dakterrassen wegens onvoldoende motivering

Eiser vroeg op 16 januari 2020 een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een dakopbouw en twee dakterrassen op zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde deze vergunning bij besluit van 10 april 2020 en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond bij besluit van 28 oktober 2020. Verweerder stelde dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan en dat de dakopbouw en dakterrassen stedenbouwkundig onwenselijk waren vanwege afwijking van de bestaande bouwstijl en aantasting van de privacy.

De rechtbank oordeelde dat de motivering van het bestreden besluit onvoldoende was, met name omdat verweerder geen gedegen toetsing had uitgevoerd ten aanzien van de dakterrassen en onvoldoende rekening had gehouden met vergelijkbare gevallen in de omgeving. Ook de afwijzing van de dakopbouw was onvoldoende gemotiveerd omdat verweerder zich te strikt baseerde op precedenten binnen één rij huizen, terwijl in het bredere gebied vergelijkbare dakopbouwen met rechte achtergevels voorkomen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf het college de opdracht een nieuw besluit te nemen, waarbij zij de motivering moet verbeteren en de belangen van eiser en de omgeving zorgvuldig moet afwegen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot weigering van de omgevingsvergunning wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Jaspers),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. R.C. Alblas).

Inleiding

1.1
Op 16 januari 2020 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een dakopbouw/derde bouwlaag en twee dakterrassen op de woning aan de
[adres 1] in [woonplaats] .
1.2
Bij besluit van 10 april 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.
1.3
Bij besluit van 28 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het bouwplan van eiser in strijd is met het bestemmingsplan. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt vindt verweerder het onwenselijk een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan omdat de dakopbouw een rechte achterzijde heeft en daarmee afwijkt van de eerder geplaatste dakopbouwen in de rij. Ook vindt verweerder dakterrassen niet wenselijk omdat het zicht dat de personen vanaf die dakterrassen hebben een aantasting is van de privacy van de omwonenden.
1.4
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.6
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het geschil
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Samengevat weergegeven heeft hij het volgende aangevoerd. Het bouwplan doet geen afbreuk aan het stedenbouwkundige beeld van de straat. De welstandscriteria gelden niet voor dakopbouwen die zijn gelegen aan de achterzijde. Met betrekking tot het dakterras heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat sprake zou zijn van onevenredige nadelige effecten voor de gebruiksmogelijkheden en de privacy van de aangelegen percelen. Zowel voor de dakopbouw als voor de dakterrassen zijn in de omgeving vergelijkbare gevallen aan te wijzen. Vanwege deze precedenten had verweerder de gevraagde omgevingsvergunning niet mogen weigeren.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het bouwplan van eiser omvat meerdere elementen: de dakopbouw, het dakterras op het hoofdgebouw en het dakterras op het bijgebouw. De rechtbank zal eerst ingaan op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot beide dakterrassen.
De dakterrassen
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit volstaan met de constatering dat het zicht dat mensen vanaf het dakterras hebben, een aantasting vormt van de privacy van de omwonenden. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze motivering in het bestreden besluit te algemeen is. Ook heeft verweerder toegelicht dat het dakterras op de [adres 2] , waarop eiser in zijn aanvullende stukken heeft gewezen, hem wel een feitelijk vergelijkbaar geval lijkt, waarin wél een vergunning is verleend. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning op dat adres heeft verweerder aan een aantal richtlijnen getoetst (zoals: ligt het dakterras van de gevel af?). Dat heeft verweerder in dit geval niet getoetst. De rechtbank komt dan ook met verweerder tot de conclusie dat er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Voor wat betreft het dakterras op het bijgebouw heeft verweerder weliswaar toegelicht dat de gevallen die eiser heeft aangedragen niet gelijk zijn, maar omdat verweerder in het bestreden besluit geen onderscheid heeft gemaakt tussen de beide terrassen, ziet de rechtbank op dat punt eveneens een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit dient naar het oordeel van de rechtbank vernietigd te worden.
Moeten de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten?
5. Verweerder heeft er op gewezen dat het bouwplan als één geheel moet worden gezien. De dakopbouw is in de aangevraagde vorm in strijd met het bestemmingsplan en verweerder wil geen vergunning verlenen voor afwijking daarvan. Ondanks het gebrek met betrekking tot de dakterrassen, komt het bouwplan volgens verweerder nog steeds niet in voor vergunning in aanmerking zolang de dakopbouw niet wordt aangepast. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
De dakopbouw
6. Het bouwplan is voor wat betreft de dakopbouw in strijd met artikel 7.3.2 aanhef en onder b en c van het bestemmingsplan ‘Lombok e.o.’ omdat het aantal bouwlagen maximaal 2 mag zijn en de afdekking van het hoofdgebouw niet mag worden gewijzigd. Dit is tussen partijen niet in geschil. Tussen partijen is ook niet in geschil dat verweerder op grond van artikel 7.4.1 van de planregels in beginsel wel een vergunning wil verlenen voor een dakopbouw (zoals ook bij veel woningen in de omgeving is gebeurd), maar niet in de vorm zoals door eiser is aangevraagd. In dat verband is van belang dat de afdeling Stedenbouw negatief heeft geadviseerd ten aanzien van de achtergevel van de te plaatsen opbouw. In het bouwplan van eiser is deze achtergevel recht, terwijl verweerder het vanuit stedenbouwkundig oogpunt wenselijk vindt dat de opbouw van eiser aansluit bij de opbouwen die al gerealiseerd zijn in de rest van de rij. Deze opbouwen hebben zowel aan de voor- als aan de achterzijde een schuine kap. Het bouwplan van eiser doet daarom afbreuk aan het stedenbouwkundige beeld (artikel 7.4.1, sub a, onder 1 van de planregels), en komt daarom niet voor vergunning in aanmerking volgens verweerder. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat er in de buurt een wirwar van verschillende opbouwen is ontstaan, maar dat de rij van eiser nog ‘gaaf’ is. Stedenbouw heeft beoordeeld op rij-niveau en daarom moet eiser met zijn opbouw aansluiten bij het precedent in zijn rij. Hoewel de rechtbank eiser niet volgt in zijn betoog dat in het bestemmingsplan had moeten worden opgenomen dat precedentwerking een onderdeel is van de stedenbouwkundige beoordeling, is de rechtbank wel van oordeel dat verweerder op dit punt een te strenge toets heeft aangelegd door alleen maar te kijken naar precedenten in de rij van eiser. In artikel 7.4.1 sub a onder 1 van de planregels staat immers dat geen afbreuk mag worden gedaan aan het stedenbouwkundige beeld van de betreffende straat
of gebied.Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat er in de buurt diverse min of meer vergelijkbare dakopbouwen zijn gerealiseerd met een rechte achtergevel. Dit is weliswaar niet het geval in de rij van eiser, maar wel in het gebied. Verweerder had daarom naar het oordeel van de rechtbank beter moeten motiveren waarom het bouwplan van eiser, ondanks het gemêleerde beeld van de buurt, stedenbouwkundig niet wenselijk is.
Hoe nu verder?
7. Nu het bestreden besluit ook voor wat betreft de dakopbouw onvoldoende is gemotiveerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dat betekent dat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Omdat ter zitting is gebleken dat partijen bereid zijn tot onderling overleg, geeft de rechtbank partijen in overweging om nader met elkaar in gesprek te gaan over het bouwplan van eiser om zo tot een voor beide partijen acceptabele uitkomst te komen.
Conclusie
8. Het beroep van eiser is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen.
9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.068,-. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). Die punten hebben een waarde van € 534,- bij wegingsfactor 1.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.068,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is uitgesproken op 20 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.