ECLI:NL:RBMNE:2021:1769
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende onderbouwing
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 april 2021 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van maximaal €11.900,- van de veroordeelde, die was veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet.
De vordering was gebaseerd op een rapport waarin werd uitgegaan van het aantal unieke contacten op de telefoon van de verdachte, waarbij ieder contact werd gelijkgesteld aan een transactie van €50,-. Uit het onderzoek bleek dat er 244 unieke contacten waren in de relevante periode. Echter, de aard van deze contacten was niet nader toegelicht en niet voldoende duidelijk terug te vinden in de verkeersgegevens.
Gezien het feit dat de verdachte voor een aanzienlijk deel van de ten laste gelegde periode was vrijgesproken en de methode van berekening niet adequaat was onderbouwd, oordeelde de rechtbank dat het rapport geen realistische basis bood voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af. Het vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer op 30 april 2021 in Utrecht.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende onderbouwing.