ECLI:NL:RBMNE:2021:1787
Rechtbank Midden-Nederland
- Verschoning
- Rechtspraak.nl
Verschoningsverzoek rechter gegrond wegens vriendschappelijke relatie met gemachtigde
In deze zaak heeft een rechter een verzoek tot verschoning ingediend op grond van een mogelijke schijn van vooringenomenheid. De rechter en de gemachtigde van de tegenpartij zijn oud-collega's en onderhouden nog een vriendschappelijke relatie. Dit zou de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter kunnen beïnvloeden.
De verschoningskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 en Pro 40 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierbij is overwogen dat hoewel rechters geacht worden onpartijdig te zijn, uitzonderlijke omstandigheden die de schijn van partijdigheid kunnen wekken aanleiding geven tot verschoning.
Gezien de aard van de relatie tussen de rechter en de gemachtigde acht de kamer de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd. Daarom is het verzoek tot verschoning gegrond verklaard. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter is gegrond verklaard vanwege een vriendschappelijke relatie met de gemachtigde van de tegenpartij.