De zaak betreft een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een twee-onder-één-kapwoning uit 1996, gelegen aan een adres te een woonplaats. Verweerder had de waarde voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op €269.000,-, welke eiser betwistte en een lagere waarde van €238.000,- aanvoerde. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de onderbouwing van de waardering, met name ten aanzien van de indexering van referentieobjecten, de grondstaffel en de invloed van de ligging.
De rechtbank wijst erop dat de gronden van eiser over gedateerde voorzieningen en groot onderhoud niet voldoende zijn onderbouwd. Ook de keuze van referentieobjecten door verweerder wordt als toelaatbaar beschouwd. Echter, de gebruikte indexeringspercentages zijn niet adequaat onderbouwd, en de informatie van de Waarderingskamer wordt als te algemeen en indirect beoordeeld om als maatstaf te dienen.
Verder is niet duidelijk gemaakt hoe de grondwaarde en liggingswaardering zijn meegenomen in de waardebepaling. Gezien deze tekortkomingen acht de rechtbank de vastgestelde waarde te hoog, maar ook de door eiser voorgestelde lagere waarde onvoldoende onderbouwd. Daarom stelt de rechtbank de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €265.000,-. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.