Opposant heeft verzet aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2020, waarin zijn beroep tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ongegrond werd verklaard. Het beroep betrof de registratie in het Register Paspoortsignalering en de vraag of deze registratie een besluit in de zin van de Awb vormt.
De rechtbank beoordeelt in dit verzet of de eerdere beslissing om zonder zitting uitspraak te doen terecht was. Opposant stelt dat de registratie in het paspoortsignaleringregister rechtsgevolgen heeft, onder meer doordat weigering tot opheffing van de signalering het verkrijgen van een paspoort belemmert. Tevens voert hij schendingen aan van het EVRM en het gelijkheidsbeginsel.
Tijdens de zitting bleek dat opposant niet langer in het Register Paspoortsignalering staat en inmiddels een paspoort met tien jaar geldigheid bezit. Hierdoor ontbreekt het hem aan een reëel en actueel belang bij verdere behandeling van zijn beroep en verzet. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de procedure binnen de wettelijke termijn van twee jaar is afgerond.
De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.