ECLI:NL:RBMNE:2021:1815

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
4 mei 2021
Zaaknummer
UTR 19/3461
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Invorderingswet 1990Art. 12 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag parkeerbelasting en kosten aanmaning en dwangbevel

Eiseres parkeerde op een gefiscaliseerde parkeerplaats zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen, waarop verweerder een naheffingsaanslag oplegde. Verweerder bracht daarnaast aanmanings- en dwangbevelkosten in rekening vanwege het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag.

Eiseres betaalde de naheffingsaanslag op 7 mei 2019, terwijl de aanmaning op 6 mei 2019 zou zijn verzonden. Eiseres betwistte de ontvangst van de aanmaning en stelde dat op de achterzijde van de aanmaning stond vermeld dat bij kruising van betaling en aanmaning de aanmaning als niet verzonden moest worden beschouwd.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de aanmaning daadwerkelijk op 6 mei 2019 was bezorgd, omdat geen verzendbewijs was overgelegd. Gezien de omstandigheden mocht eiseres de aanmaning als niet verzonden beschouwen en was het dwangbevel onterecht uitgevaardigd.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en de kosten voor aanmaning en dwangbevel, en bepaalde dat verweerder het griffierecht aan eiseres vergoedt.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanmanings- en dwangbevelkosten en bepaalt dat verweerder het griffierecht vergoedt.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3461

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: H. Zwiers)
en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder

Procesverloop

Met dagtekening van 22 maart 2019 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd tot een bedrag van € 61,90 (de naheffingsaanslag) vanwege het niet voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting voor het voertuig met kenteken [kenteken] aan de [locatie] in Vijfherenlanden.
Op 15 april 2019 heeft verweerder aan eiseres een duplicaat van de naheffingsaanslag parkeerbelasting verstuurd.
Op 6 mei 2019 heeft verweerder aan eiseres een aanmaning verzonden en daarbij € 7,- aanmaningskosten in rekening gebracht.
Op 7 mei 2019 heeft eiseres de naheffingsaanslag voldaan.
Op 27 mei 2019 heeft verweerder een dwangbevel uitgevaardigd tot invordering van de aanmaningskosten en daarbij € 42,- dwangbevelkosten in rekening gebracht in verband met het niet betalen van de aanmaningskosten.
Verweerder heeft bij uitspraak van 5 augustus 2019 het bezwaar van eiseres tegen de aanmanings- en dwangbevelkosten kennelijk ongegrond verklaard.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021 via videobelverbinding. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres heeft geparkeerd op een gefiscaliseerde parkeerplaats zonder de daarvoor verschuldigde parkeerbelasting te voldoen. Verweerder is daarom terecht overgegaan tot het opleggen van de naheffingsaanslag. In geschil is of verweerder terecht is overgegaan tot het opleggen van de aanmanings- en dwangbevelkosten, omdat eiseres niet tijdig de naheffingsaanslag heeft voldaan.
2. Op zitting heeft eiseres toegelicht dat zij op 7 mei 2019 de naheffingsaanslag heeft betaald en dat op 8 mei 2019 de aanmaning is ontvangen. Verder heeft eiseres toegelicht dat op de achterkant van de aanmaning is vermeld dat, indien de betaling en de aanmaning elkaar kruisen, de aanmaning als niet verzonden moet worden beschouwd. Eiseres heeft daarom geen acht meer geslagen op deze aanmaning. Eiseres heeft op zitting toegelicht dat zij heeft geprobeerd om in een telefonisch overleg de situatie uit te leggen, maar dat verweerder de aanmanings- en dwangbevelkosten toch wilden invorderen.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet tijdig heeft betaald en dat daarom de aanmanings- en dwangbevelskosten terecht in rekening zijn gebracht.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat op grond van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) de invorderingsambtenaar een belastingschuldige die niet binnen de gestelde termijn betaalt, schriftelijk aanmaant om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen. [1] Op grond van de IW kan een dwangbevel slechts worden uitgevaardigd indien de belastingschuldige is aangemaand en daarna in gebreke blijft. [2] Verder stelt de rechtbank vast dat op het duplicaat van de naheffingsaanslag is vermeld dat voor 2 mei 2019 moet worden betaald en dat er, indien er niet tijdig wordt betaald, er een aanmaning zal worden verstuurd en de daarbij behorende aanmaningskosten in rekening worden gebracht.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanmanings- en dwangbevelkosten terecht zijn opgelegd. Omdat eiseres weerspreekt dat zij de aanmaning op 6 mei 2019 per post heeft ontvangen, dient verweerder aannemelijk te maken dat op 6 mei 2019 de aanmaning is bezorgd. Verweerder heeft geen verzendbewijs van de aanmaning overgelegd, zodat niet aannemelijk is dat de aanmaning op 6 mei 2019 is bezorgd. Dat is van belang, omdat op 7 mei 2019 eiseres de naheffingsaanslag heeft voldaan. Op zitting heeft eiseres verder onweersproken gesteld dat op de achterzijde van de aanmaning is vermeld dat, indien de betaling en de aanmaning elkaar kruisen, de aanmaning als niet verzonden moet worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat verweerder alleen de voorzijde van de aanmaning heeft overgelegd en dat op deze voorzijde is vermeld: lees toelichting aan de achterzijde, hier staat belangrijke informatie. De stelling van eiseres is dan ook aannemelijk dat informatie omtrent de aanmaning op de achterzijde is vermeld. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van eiseres. In het licht daarvan heeft zij dan ook terecht geen kennis meer genomen van de aanmaning en mocht zij de aanmaning als niet verzonden beschouwen, nu zij de naheffingsaanslag had betaald vóór het ontvangen van de aanmaning en conform de toelichting van eiseres dat de betaling en de aanmaning elkaar hadden gekruist en zij dus de aanmaning als niet verzonden mocht beschouwen. Nu de aanmaning niet terecht is verstuurd, is het dwangbevel ook niet terecht uitgevaardigd. De beroepsgrond slaagt.
4.3.
Omdat het beroep gegrond is, vernietigt de rechtbank de uitspraak op bezwaar. Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de in rekening gebrachte kosten voor de aanmaning en het dwangbevel;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €47,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van
D.T. de Winter, griffier. De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op
4 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd dezeuitspraak mede te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Voetnoten

1.Artikel 11 van Pro de Invorderingswet 1990.
2.Artikel 12 van Pro de Invorderingswet 1990.