AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek aanzegvergoeding na schriftelijke aanzegging via werkgeversverklaring
Partijen hadden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 7 mei 2020 tot 7 januari 2021. Werkgever verstrekte op 10 november 2020 een werkgeversverklaring aan werknemer, waarin stond dat het contract niet verlengd zou worden. Deze verklaring werd voorafgegaan door een telefonische mededeling. Op 23 november 2020 bespraken partijen het einde van het contract nogmaals. Werknemer begon op 24 november 2020 elders te werken en beëindigde zijn dienstverband op 18 december 2020.
Werknemer stelde aanspraak te maken op de aanzegvergoeding ex artikel 7:668 lid 3 BWPro en diende een verzoek in bij de kantonrechter. De werkgever stelde dat de schriftelijke aanzegging via de werkgeversverklaring rechtsgeldig was gedaan. De kantonrechter oordeelde dat de combinatie van de werkgeversverklaring en de telefonische toelichting voldoende schriftelijke aanzegging vormde, en dat werknemer dit ook zo heeft opgevat, zoals blijkt uit zijn gedragingen.
De kantonrechter wees het verzoek af en veroordeelde werknemer tot betaling van de proceskosten aan de zijde van werkgever. De uitspraak werd mondeling gedaan op 20 april 2021 en schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal.
Uitkomst: Het verzoek tot toekenning van de aanzegvergoeding is afgewezen omdat de schriftelijke aanzegging rechtsgeldig was gedaan.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 9075741 UE VERZ 21-67 aw/1370
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter van 20 april 2021
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [verzoeker] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. J.C. Debije,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen: [verweerster] ,
verwerende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Weijers.
1.Het procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties 1 t/m 9, ter griffie ontvangen op 5 maart 2021,
het verweerschrift met producties 1 t/m 7,
de nagezonden productie 10 van [verzoeker] ,
de mondelinge behandeling op 20 april 2021
1.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan.
2.De beslissing
De kantonrechter:
2.1.
wijst het verzoek af;
2.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verweerster] , tot de datum van deze uitspraak begroot op € 373,50;
2.3.
veroordeelt [verzoeker] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door [verweerster] volledig aan de in 2.2. vermelde veroordeling voldoet, in de na de uitspraak ontstane kosten, begroot op € 124,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van de uitspraak;
2.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
3.De beoordeling
3.1.
De kantonrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
3.1.1.
Tussen partijen staat het volgende vast.
Partijen hebben een arbeidsovereenkomst gesloten voor de periode van 7 mei 2020 tot 7 januari 2021.
[verweerster] heeft op 10 november 2020 een werkgeversverklaring gegeven aan [verzoeker] voor het aanvragen van een hypotheek. Op die werkgeversverklaring is door [verweerster] aangevinkt dat het contract van [verzoeker] niet zal worden verlengd. [verweerster] heeft [verzoeker] vóór het verstrekken van die verklaring gebeld om te vertellen dat zijn arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. In de werkgeversverklaring is ook nog geschreven dat eventuele verlenging nog niet is besproken.
Op 23 november 2020 hebben partijen elkaar nogmaals gesproken over het einde van het contract en de redenen daarvoor. Op 24 november 2020 is [verzoeker] gaan meelopen bij een ander bedrijf. Op 18 december 2020 was de laatste werkdag van [verzoeker] . Eind december heeft een exitgesprek plaatsgevonden en op 7 januari 2021 heeft [verzoeker] afscheid genomen van zijn team.
Op 7 januari 2021 heeft [verzoeker] [verweerster] een brief gestuurd en aanspraak gemaakt op de aanzegvergoeding van artikel 7:668 lid 3 BWPro. Daarna hebben partijen wat mails naar elkaar geschreven, maar dat heeft niet tot overeenstemming geleid. Op 5 maart 2021 heeft [verzoeker] een verzoek bij de kantonrechter ingediend om [verweerster] te veroordelen aan hem de aanzegvergoeding van € 2.800,00 bruto te betalen, te vermeerderen met rente en kosten, en de bijbehorende salarisstrook aan hem af te geven.
3.1.2.
Zoals door [verzoeker] terecht is gesteld moet de aanzegging van de beëindiging van een tijdelijke arbeidsovereenkomst schriftelijk plaatsvinden (zie artikel 7:668 lid 1 BWPro en o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2020; ECLI:NL:GHARL:2020:9089). Een mondelinge aanzegging is daarvoor onvoldoende.
3.1.3.
In dit geval voert [verweerster] aan dat zij schriftelijk heeft aangezegd door op de werkgeversverklaring te schrijven dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.
Daarover hebben zij op dezelfde dag en daarna ook nog met elkaar gesproken en [verzoeker] is kort daarna elders mee gaan lopen. De werkgeversverklaring is aan [verzoeker] verstrekt en [verzoeker] heeft de mededeling daarin zo opgevat dat hij ervan uitging dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen, door mee te lopen met een ander bedrijf, werk over te gaan dragen en afscheid te nemen.
3.1.4.
[verzoeker] zegt dat hij al die tijd een sprankje hoop had dat het anders zou lopen, maar dat doet daar niet aan af. Die hoop komt er in feite op neer dat hij hoopte dat [verweerster] op haar besluit om het contract niet te verlengen zou terugkomen. De combinatie van het verstrekken van de werkgeversverklaring aan [verzoeker] en de voorafgaande telefonische toelichting daarop door [verweerster] maken dat niet gezegd kan worden dat die schriftelijke verklaring van [verweerster] dat het contract niet zou worden verlengd niet aan [verzoeker] was gericht.
3.1.5.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [verweerster] de aanzegging met de werkgeversverklaring schriftelijk heeft gedaan. In die verklaring staat duidelijk dat het dienstverband niet verlengd zal worden en [verzoeker] heeft die mededeling ook als zodanig opgevat, zoals blijkt uit zijn gedragingen daarna. Tussen partijen heeft vanaf dat moment geen misverstand bestaan over de vraag of de arbeidsovereenkomst zou eindigen en dat is precies de bedoeling van de wetgever geweest met het bepaalde in art. 7:668 BWPro. De extra zin in de werkgeversverklaring dat er over eventuele verlenging nog niet is gesproken, doet daar niet aan af.
3.1.6.
Op grond van het vorenstaande is het verzoek van [verzoeker] afgewezen.
3.1.7.
Omdat [verzoeker] ongelijk heeft gekregen moet hij de proceskosten van [verweerster] betalen. Die kosten worden begroot op € 373,50 aan salaris gemachtigde, voor het verweerschrift (0,5 x het tarief van € 747,00).
De nakosten zullen worden toegewezen als in de beslissing te melden.
Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. S.H. Bokx-Boom ,kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 23 april 2021.