ECLI:NL:RBMNE:2021:1828

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 april 2021
Publicatiedatum
6 mei 2021
Zaaknummer
21/464
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag wegens strafbare feiten binnen terugkijktermijn

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) in verband met een functie als bezorger bij een bedrijf. De Minister voor Rechtsbescherming heeft deze aanvraag afgewezen omdat uit de justitiële documentatie van eiser blijkt dat hij binnen de terugkijktermijn van vier jaar meerdere strafbare feiten heeft gepleegd, waaronder verkeersovertredingen en een poging tot zware mishandeling.

Eiser voerde in beroep een principieel punt aan over de wijze waarop de minister dergelijke aanvragen toetst, met name dat de nadruk te veel ligt op het objectieve criterium. De rechtbank volgt echter de vaste lijn in de rechtspraak, gebaseerd op artikel 35 van Pro de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens en jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt onderzocht of het justitiële gegeven op zichzelf een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen.

De rechtbank oordeelt dat de minister het objectieve en subjectieve criterium correct heeft toegepast. Hoewel eiser betoogde dat sommige verkeersovertredingen door anderen in zijn auto zijn begaan, is hij als kentekenhouder aansprakelijk en had hij dit bij de strafrechter moeten aanvechten. Gezien de omstandigheden en de periode zonder strafbare feiten, mocht de minister de aanvraag toch afwijzen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/464
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A.P.F. Hoens),
en

De Minister voor Rechtsbescherming, verweerder

(gemachtigde: mr. C.M.A.V. van Kleef).

Procesverloop

In het besluit van 20 november 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag afgewezen.
In het besluit van 13 januari 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021 via een Skype-verbinding. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
1. Deze zaak gaat over een aanvraag van eiser voor een Verklaring Omtrent het Gedrag vanwege de functie als bezorger bij [bedrijf] . Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat er binnen de terugkijktermijn van vier jaren verschillende strafbare feiten op de justitiële documentatie van eiser vermeld staan. Het gaat hierbij in het bijzonder om meerdere verkeersovertredingen en een poging tot zware mishandeling.
2. Eiser heeft in beroep een principieel punt naar voren gebracht over de manier waarop verweerder dit soort aanvragen toetst. Volgens eiser legt verweerder bij de toetsing de nadruk immers te veel op het objectieve criterium. De rechtbank ziet echter geen reden om af te wijken van de vaste lijn in de rechtspraak hierover. Deze lijn is gebaseerd op de tekst van artikel 35 van Pro de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens en de invulling hiervan door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Volgens de ABRvS moet de minister bij de toepassing van het objectieve criterium onderzoeken of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat. [1] De rechtbank ziet in de recente rechtspraak van de ABRvS geen reden om van deze vaste lijn af te wijken. De rechtbank ziet dat er wel discussie over dit soort zaken is, en heeft in het door eiser naar voren gebrachte artikel uit de Trouw [2] gelezen dat de voorzitter van de ABRvS hint op een verandering in aanpak van dit soort zaken. De discussie is echter onvoldoende uitgekristalliseerd om af te wijken van de vaste lijn. Bovendien acht de rechtbank de aard van deze specifieke zaak en de omstandigheden hierin onvoldoende om van de lijn af te wijken. Eiser wordt op dit punt dus niet gevolgd.
3. Uitgaande van de vaste rechtspraak constateert de rechtbank dat verweerder op de juiste wijze het objectieve en het subjectieve criterium heeft toegepast in deze zaak. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder op basis van het subjectieve criterium in redelijkheid tot een ander oordeel had moeten komen. Op de justitiële documentatie van eiser staan meerdere verkeersovertredingen. Eiser heeft hierover naar voren gebracht dat een aantal van deze overtredingen door andere personen gepleegd zijn in zijn auto. Eiser is echter als kentekenhouder aansprakelijk voor zijn auto. Als een aantal delicten niet door hem was gepleegd, lag het op zijn weg om hier bij de strafrechter aandacht voor te vragen. Omdat eiser dat niet heeft gedaan, en de overtredingen op zijn justitiële documentatie staan, heeft verweerder met deze overtredingen rekening mogen houden. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit rekening heeft gehouden met de periode waarin het goed is gegaan en geen strafbare feiten op de justitiële documentatie staan. Gelet op de overige omstandigheden, heeft verweerder de aanvraag echter mogen afwijzen.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 april 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 3 maart 2021 ECLI:NL:RVS:2021:445.
2.Artikel uit dagblad Trouw van 9 januari 2021 “