ECLI:NL:RBMNE:2021:1828
Rechtbank Midden-Nederland
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag wegens strafbare feiten binnen terugkijktermijn
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) in verband met een functie als bezorger bij een bedrijf. De Minister voor Rechtsbescherming heeft deze aanvraag afgewezen omdat uit de justitiële documentatie van eiser blijkt dat hij binnen de terugkijktermijn van vier jaar meerdere strafbare feiten heeft gepleegd, waaronder verkeersovertredingen en een poging tot zware mishandeling.
Eiser voerde in beroep een principieel punt aan over de wijze waarop de minister dergelijke aanvragen toetst, met name dat de nadruk te veel ligt op het objectieve criterium. De rechtbank volgt echter de vaste lijn in de rechtspraak, gebaseerd op artikel 35 van Pro de Wet Justitiële en Strafvorderlijke gegevens en jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt onderzocht of het justitiële gegeven op zichzelf een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen.
De rechtbank oordeelt dat de minister het objectieve en subjectieve criterium correct heeft toegepast. Hoewel eiser betoogde dat sommige verkeersovertredingen door anderen in zijn auto zijn begaan, is hij als kentekenhouder aansprakelijk en had hij dit bij de strafrechter moeten aanvechten. Gezien de omstandigheden en de periode zonder strafbare feiten, mocht de minister de aanvraag toch afwijzen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt ongegrond verklaard.