De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een rijwoning uit 1936 te Utrecht, vastgesteld op €452.000,- voor het belastingjaar 2020 met waardepeildatum 1 januari 2019. De eigenaar van de woning betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €344.000,- voor. De gemeente handhaafde de vastgestelde waarde en onderbouwde dit met een taxatiematrix en een taxatierapport.
Tijdens de zitting, die via Skype plaatsvond, werd toegelicht dat de waarde is bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij rekening is gehouden met referentiewoningen van hetzelfde type en marktgegevens. De rechtbank oordeelde dat de gemeente aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, mede doordat de taxatiematrix inzicht geeft in de waardeverhouding tussen de woning en referentiewoningen.
De door eiser aangevoerde bezwaren, zoals onvoldoende rekening houden met gedateerde voorzieningen, verschillen in kubieke meters en onduidelijkheid over het indexeringspercentage, werden door de rechtbank verworpen. Ook de ingetrokken beroepsgrond over de bruikbaarheid van het perceel werd niet inhoudelijk behandeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de vastgestelde WOZ-waarde.